Reglement Odysseusprogramma

ALGEMEEN REGLEMENT 

Het algemeen reglement is van toepassing.
Uitgebreide informatie, volledige reglementen en formulieren zijn on line beschikbaar.
Alle aanvullende inlichtingen kunnen worden bekomen op het secretariaat van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, Egmontstraat 5 te 1000 BRUSSEL, telefoon 02 512 91 10.

Art. 1.

De Vlaamse Regering stelt bij het FWO het Odysseus-programma in.

Art.2.

Het Odysseus-programma heeft als doelstelling uitstekende onderzoekers die buiten Vlaanderen een carrière hebben opgebouwd, een startfinanciering aan te bieden om gedurende vijf jaar aan een Vlaamse universiteit een onderzoeksgroep uit te bouwen of om een onderzoekslijn op te zetten en zich progressief in het Vlaamse onderzoeksbestel in te schakelen.

Art.3.

De subsidie wordt aangewend voor twee types startfinanciering:

Odysseus Groep I

Internationaal toonaangevend onderzoek

Onderzoekers die internationaal erkend worden als toonaangevend en die reeds een aanstelling aan een buitenlandse universiteit hebben, komen in aanmerking voor een Odysseus Groep I. Van deze onderzoekers kan verwacht worden dat ze in de instelling waaraan ze verbonden zijn, een eigen onderzoeksgroep leiden bestaande uit een vaste staf, meerdere postdocs en een aantal doctoraatsstudenten. De onderzoeksfinanciering die wordt aangeboden is begrepen tussen 400.000 en 1.500.000 EUR per jaar (2.000.000 tot 7.500.000 voor de periode van 5 jaar)

Odysseus Groep II

Onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status

Voor deze Odysseus Groep II financiering komen onderzoekers in aanmerking die minimaal 3 jaar postdoctorale ervaring in het buitenland hebben en waarvan het wetenschappelijke werk vooraanstaande vakgenoten ervan overtuigt dat ze het potentieel hebben om door te groeien tot een internationaal vooraanstaande positie. Van deze onderzoekers kan verwacht worden dat ze binnen een onderzoeksgroep een klein team leiden, bestaande uit een of meer doctoraatsstudenten en eventueel een of enkele post-docs. Zij hebben enige ervaring met het verwerven van externe onderzoeksfinanciering. Binnen enkele jaren kunnen zij doorgroeien naar het niveau dat vereist is voor een aanstelling in het zelfstandig academisch personeel. De onderzoeksfinanciering voor deze groep II is begrepen tussen 100.000 en 200.000 EUR per jaar (500.000 tot 1.000.000 voor de periode van 5 jaar).

Er is géén vaste verdeelsleutel over de twee groepen.

Art.4.

Alleen de Vlaamse universiteiten kunnen, eventueel in samenwerking, kandidaten nomineren bij het FWO.

Kandidaten moeten:

  • uiterlijk één jaar voor de datum van de aanvraag een hoofdaanstelling aan een buitenlandse instelling hebben,
  • gedurende minstens drie jaar in de afgelopen vijf jaar aan een buitenlandse instelling verbonden zijn geweest,
  • aan de criteria van excellentie voldoen, zoals blijkt uit het CV en de bibliografie,
  • een onderzoeksplan bij de betreffende universiteit(en) indienen dat een begroting bevat met een indicatieve verdeling van de geplande uitgaven over een periode van vijf jaar. Dit onderzoeksplan moet door de universiteit(en) worden goedgekeurd en passen in het onderzoeksbeleid.

Art.5.

Bij de voordracht van een kandidaat dient de universiteit:

  • te bevestigen dat ze een ZAP-kaderplaats (groep I) respectievelijk een postdoctoraal mandaat (groep II) met een looptijd van vijf jaar, evenals de nodige infrastructuur ter beschikking heeft,
  • het onderzoeksplan goed te keuren en aan te geven hoe dit past in haar onderzoeksbeleid.

De ZAP-kaderplaats dient tijdens het eerste jaar van het Odysseusproject minstens een aanstelling van 50% te bedragen en wordt vanaf het tweede jaar minstens 80%.

In geval van een voordracht van twee of meer universiteiten dienen zij een gemeenschappelijk voorstel te formuleren.

De kosten van de mandaten die de universiteiten dienen ter beschikking te stellen kunnen niet ten laste van het Odysseus-programma genomen worden.

Art.6.

Het volledige dossier van voordracht dient in het Engels gesteld.

Art.7.

Een vaste internationale multidisciplinaire jury van deskundigen onderzoekt of de genomineerde kandidaten aan de gestelde eisen van excellentie voldoen, onderzoekt of het onderzoeksplan van hoge kwaliteit is en uitvoerbaar met de aangevraagde middelen.

Het FWO stelt een internationale multidisciplinaire jury samen, die per discipline wordt aangevuld met referenten, die over de specifieke expertise beschikken in functie van de ingediende dossiers. De Jury die zowel groep I als II behandelt telt 7 leden (ten hoogste twee derde van de leden zijn van hetzelfde geslacht). De juryleden zijn niet verbonden aan een Belgische universiteit en genieten een algemene internationale erkenning. De vaste Juryleden worden aangesteld voor een periode van drie jaar, eventueel hernieuwbaar.

Voor de evaluatie van elke kandidaat zal de jury een beroep doen op het wetenschappelijk advies van in principe drie en minstens twee internationale referenten die over de specifieke expertise beschikken vereist voor het ingediende dossier. Als de meningen van twee referenten uiteenlopen, is een derde advies vereist.

De Jury kan budgettaire aanpassingen van de financiering voorstellen.

Art.8.

De raad van bestuur van het FWO beslist over de toekenning van de financiering. Zo er middelen van het Odysseusprogramma voorhanden zijn kan een voorstel slechts afgewezen worden als de commissie oordeelt dat de voorgedragen kandidaat niet voldoet.

Art. 9.

Het FWO publiceert de wetenschappelijke beoordeling van de geselecteerde onderzoekers op zijn website.

Art. 10.

De toegekende kredieten worden in een overeenkomst nader omschreven. De betrokken partijen zijn:

  • de aangestelde onderzoeker, hierna de promotor genoemd;
  • het FWO;
  • de universiteit-onthaalinstelling.

Voor de faciliterende functie binnen de onthaalinstelling wordt een copromotor aangeduid.

Art. 11.

  • De promotor gaat de verplichting aan het gesubsidieerde onderzoek te ondernemen.

    De promotor treedt op als verantwoordelijk woordvoerder t.o.v. de administratie van het Fonds en beheert de middelen.

    Aan promotor of co-promotor kan geen wedde of vergoeding uitgekeerd worden ten laste van de betrokken overeenkomst.
  • Het FWO gaat de verbintenis aan de in de overeenkomst bepaalde subsidie uit te betalen gedurende de periode van het onderzoek.
  • De onthaalinstelling verbindt zich tot het aanstellen van de personen uit groep I in zijn ZAP en het ter beschikking stellen van een postdoctoraal onderzoeksmandaat van vijf jaar voor groep II, alsook tot het ter beschikking stellen van de nodige infrastructuur en ruimte.

De onthaalinstelling dient bij de nominatie het voorgestelde onderzoeksplan goed te keuren.

OVEREENKOMST 

Art. 12.

De overeenkomsten duren vijf jaar. Alle in de overeenkomst bepaalde middelen zijn bestemd voor de financiering van het goedgekeurde onderzoek van het project van de promotor.

Art. 13.

De overeenkomst kan door de partijen verbroken worden. De promotor is gebonden de toegekende middelen uitsluitend te besteden aan de uitvoering van het goedgekeurde onderzoeksproject. Zodra hun aanwending deze verplichting niet meer nakomt, zullen de subsidies of hun saldi moeten terugvallen aan het FWO. In dit geval of zo de overeenkomst door één van de partijen wordt opgezegd wordt de overeenkomst stopgezet. De wettelijke verplichtingen t.o.v. het resterend personeel worden nagekomen. De financiering hiervoor nodig is ten laste van de Odysseustoelage. Het overblijvend krediet wordt degressief afgebouwd met 25% per jaar.

Art. 14.

Iedere ingrijpende verandering aan het in uitvoering zijnde onderzoeksprogramma wordt voorgelegd aan het FWO.

MIDDELEN 

Art. 15.

Aanwerving van wetenschappelijk en technisch personeel:

  • Aanstellingen in het kader van een Odysseusovereenkomst zullen gebeuren in overeenstemming met de terzake geldende wettelijke bepalingen en overeenkomstig de vergoedingen en reglementen van kracht in de universiteiten, voor wat betreft de hiërarchie der graden, de vereisten voor aanwerving en bevordering, alsmede de bezoldigingen. De universiteiten kunnen desgewenst bijkomende eisen stellen.
  • Binnen de objectieven, door het project gesteld, zal het onderzoek zodanig worden georganiseerd dat het voor de predoctorale onderzoekers kan leiden tot een doctoraat op proefschrift.
  • Jaarlijks, voor 30 april, bezorgt de onthaalinstelling aan het FWO een lijst met een overzicht van het aangeworven wetenschappelijk en technisch personeel.  De lijst vermeldt volgende gegevens: naam, voornaam, geboortedatum, nationaliteit, datum in dienst, datum uit dienst, tewerkstellingspercentage, contractsoort, statuut (BAP - doctoraatsbursaal, BAP – WM, ATP, …) en hoogst behaalde diploma.

Art. 16.

Apparatuur:

Alle materiaal, verworven dankzij een werkings- of uitrustingskrediet van het FWO, wordt eigendom van de universiteit.

Deze instelling verbindt er zich toe het bedoelde materiaal ter beschikking te laten van de onderzoeker, gedurende de tijd die vereist is voor het afwerken van het onderzoek waarvoor het werd toegekend. Bovendien gaat ze de verbintenis aan het materiaal noch te verkopen, noch uit te lenen zonder de instemming van het FWO.

Ingeval het materiaal slechts mits bijdrage van een bijkomend krediet kon worden aangekocht, beslissen de bestuursorganen van het Fonds in overleg met de betrokken autoriteiten, over de eigendomskwestie.

Art. 17.

Werkingskredieten:

Als werkingskredieten kunnen volgende kosten verantwoord worden

  • de normale werkingskosten, noodzakelijk voor de uitvoering van het project;
  • vergoedingen op basis van geleverde prestaties: niet onderworpen aan enige vorm van sociale zekerheid van o.a. jobstudenten, enquêteurs en/of onkosten, voortvloeiend uit de uitnodiging van een gastonderzoeker in de onderzoekseenheid, …;
  • apparatuur van minder dan 20.000 EUR wordt beschouwd als werking;
  • kosten van studieverblijven en deelname aan congressen in het buitenland voor zover deze in de lijn liggen van het toegekende navorsingsproject ...;
  • aankoop van wetenschappelijke literatuur over de thematiek waarop het onderzoek betrekking heeft;
  • verplaatsingskosten in België.

Art. 18.

Overheadkosten:

Overheadkosten die aan de onthaalinstellingen worden uitgekeerd zijn vastgesteld op 6%. Buiten deze overheadkosten mogen onderstaande rubrieken niet op een krediet van het FWO geheven worden:

  • de huur, verwarming, verlichting, onderhoud van de lokalen en meubilair, daar dit kosten zijn die normaliter door de onthaalinstelling dienen gedragen te worden;
  • de beheers- of administratiekosten.

De overheadkosten die aan de onthaalinstellingen worden uitgekeerd, worden ten laste van het Odysseus-programma ingeschreven.

ALGEMENE FINANCIËLE BEPALINGEN 

Art. 19.

Verantwoordingsstukken worden aanvaard zo ze gedateerd zijn tijdens de looptijd van het project en de drie daaropvolgende jaren. De niet aangewende sommen vallen terug aan het FWO.

Art. 20.

Het beheer van de verleende kredieten wordt toevertrouwd aan de boekhoudkundige dienst van de universiteit of de wetenschappelijke instelling waaraan de promotoren verbonden zijn.

Art. 21.

Het begrotingsjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december.

Art. 22.

Verdeling van de middelen over de instellingen:

80% van de middelen wordt verdeeld over de onthaalinstellingen op basis van het gemiddelde over vijf jaar, van de BOF-sleutel, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarin het volgende vijfjarig Odysseusprogramma aanvangt.
20% wordt besteed door de raad van bestuur van het FWO aan de allerbeste aanvragen van groep I. Alle partijen kunnen met niet aangewende middelen trekkingsrechten opbouwen.

Universiteiten kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dit beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusprogramma zullen ontvangen.

Art. 23.

De evaluatie gebeurt door de universiteit-onthaalinstelling

voor Groep I        na het vierde jaar en

voor Groep II       tijdens het vierde jaar waarbij de beslissing van de onthaalinstelling over de verdere loopbaan valt. Het aangepaste onderzoeksplan wordt meegedeeld aan het FWO.

Het FWO ontvangt een verslag van de evaluatie.

Art. 24.

De betalingen, rapporteringen en controles gebeuren volgens de bepalingen van het reglement van de onderzoeksprojecten.

SLOTBEPALINGEN 

Art. 25.

Voor alle gevallen die bij dit reglement niet zouden zijn voorzien, wordt er verwezen naar het reglement en de jurisprudentie van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen.

25/05/2016