Reglement van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen tot regeling van het mandaat aspirant voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek

25 oktober 2017

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen en toepassingsgebied

Art. 1.

Krachtens artikel 18 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid en het besluit van de Vlaamse regering van 29 mei 2009 tot regeling van de toekenning van doctoraatsbeurzen voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek verleent de Vlaamse Regering het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  een toelage ter ondersteuning van individuele onderzoekers.

Art. 2.

§1. Dit reglement regelt de ontvankelijkheid van de kandidatuur, de aanstelling, uitvoering hernieuwing, schorsing en beëindiging van het mandaat doctoraatsbeurzen aspirant strategisch basisonderzoek van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, de berekening en storting van de beurs en de rechten en plichten, arbeidsongevallen, aansprakelijkheid, kinderbijslag en jaarlijkse vakantie van houders van de beurs.

§2. De interne en externe peer review met betrekking tot de evaluatie van de onderzoeksaanvragen in het kader van de beurs wordt geregeld door het reglement FWO – Interne en externe peer review.

§3. Onderhavig reglement geldt onverminderd het algemeen reglement van het Fonds  Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen.

§4. Uitgebreide informatie, volledige reglementen en formulieren zijn online beschikbaar.

Art. 3.

De jaarlijkse oproep voor doctoraatsbeurzen aspirant strategisch basisonderzoek loopt gelijktijdig met de oproep doctoraatsbeurzen aspirant fundamenteel onderzoek. Een kandidaat kan maar voor een van deze beide oproepen een mandaataanvraag indienen, zoals ook bepaald door artikel 6 van het algemeen reglement van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. Bij afwijzing kan de kandidaat nog één keer een nieuwe aanvraag indienen voor één van beide oproepen en voor zover nog aan de ontvankelijkheidsvereisten wordt voldaan.

Hoofdstuk 2. Ontvankelijkheid kandidaturen

Art. 4.

§1. De mandaathouders aspirant strategisch basisonderzoek dienen verbonden te zijn aan een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap, eventueel in samenwerking met een Vlaamse of federale wetenschappelijke instelling waar ze hun onderzoek uitvoeren.

§2. Een deel van het onderzoek kan in een Vlaamse onderneming worden uitgevoerd, voor een periode van maximum 12 maanden per beurstermijn van 2 jaar, op voorwaarde dat deze samenwerking significant bijdraagt tot het doctoraatsproject en een schriftelijke overeenkomst wordt gesloten tussen de onthaalinstelling van de mandaathouder en de onderneming, waarin afspraken worden vastgelegd met betrekking tot de intellectuele eigendomsrechten. De onthaalinstelling blijft eigenaar van de intellectuele eigendomsrechten. Elke transfer naar de onderneming dient op marktconforme wijze te gebeuren.

Art. 5.

De kandidaten dienen hun aanvraag in te dienen en te verdedigen in het Engels met het oog op de internationale peer review.

Art. 6.

§1. De kandidaat dient bij de start van het mandaat houder te zijn van een diploma dat minstens evenwaardig is aan een masterdiploma dat aansluit op een bachelordiploma en uitgereikt werd door de daartoe bevoegde instellingen van een van de landen van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

§2. Voor de regeling van bovenstaande paragraaf worden master-na-masterdiploma’s, zoals omschreven in het Hoger Onderwijsregister op www.hogeronderwijsregister.be, niet in overweging genomen.

§3.Diploma’s uitgereikt door de daartoe bevoegde instellingen in een van de landen van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of diploma’s uitgereikt door de daartoe bevoegde instellingen uit de Franstalige Gemeenschap worden erkend als gelijkwaardig met diploma’s uitgereikt door de daartoe bevoegde uitstellingen uit de Vlaamse Gemeenschap overeenkomstig het Besluit van de Vlaamse Regering tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs van 11 oktober 2013, de toepasselijke Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord.

Art. 7.

§1. Het masterdiploma of daarmee gelijkwaardig diploma, op basis waarvan de aanvraag wordt ingediend, dient ten vroegste drie jaar voor de uiterste indiendatum van de oproep te worden behaald. Indien meer dan één masterdiploma of gelijkwaardig diploma werd behaald, wordt het diploma dat inhoudelijk het meest aansluit bij het voorgestelde doctoraatsonderzoek in aanmerking genomen en mag het eerst behaalde diploma niet eerder dan zes jaar voor de uiterste indiendatum van de oproep behaald zijn.

§2. De in paragraaf 1 bepaalde grenzen worden met één jaar verlengd per periode van minstens drie maanden moederschapsverlof, per aaneensluitende periode van minstens drie maanden voltijds ouderschapsverlof of per aaneensluitende periode van minstens drie maanden voltijds ziekteverlof genomen tussen de datum van het betrokken masterdiploma en de aanvraag.

§3. De in paragraaf 1 bepaalde grenzen worden verlengd met de duur van de gevolgde opleiding tot arts-specialist, apotheker-specialist en dierenarts-resident.

§4. Het directiecomité van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  kan uitzonderlijk afwijken van de in paragraaf 1 bepaalde grenzen in gevallen waar omwille van sociale en medische redenen, ofwel in het voortraject een onderbreking voorkomt, ofwel een verminderd arbeidsrendement zich heeft voorgedaan.

Art. 8.

§1. De wetenschappelijke ervaring van kandidaten, zowel op bezoldigde als op onbezoldigde basis, sinds het behalen van het masterdiploma of gelijkwaardig diploma, op basis waarvan de aanvraag werd ingediend, mag bij de aanvangsdatum van het mandaat de periode van 18 maanden niet overschrijden.

Indien meer dan één masterdiploma of gelijkwaardig diploma werd behaald, geldt deze regel vanaf het behalen van het diploma dat inhoudelijk het meest aansluit bij het voorgestelde doctoraatsonderzoek.

§2. Onder voorafgaande wetenschappelijke ervaring worden alle soorten wetenschappelijke activiteiten verstaan, ook als ze inhoudelijk niet aansluiten bij het doctoraatsvoorstel of als ze niet omschreven kunnen worden als doctoraatswaardig onderzoek, zoals toepassings- of beleidsgericht onderzoek of dienstbetoon.

Aanstellingen bij universiteiten of hogescholen zoals bij Tetra, BOF, VLAIO-projecten, SBO, of assistentenmandaten worden steeds meegerekend, tenzij de kandidaat werd aangesteld in een niet-onderzoeksgerelateerd statuut, bijvoorbeeld als praktijk- of onderwijsassistent, of administratief of technisch personeel.

Indien de kandidaat werkzaam was in een bedrijf, is de functieomschrijving mee bepalend.

§3. Bij het bepalen van de periode van 18 maanden uit de eerste paragraaf wordt rekening gehouden met het tewerkstellingspercentage.

Hoofdstuk 3. Aanstelling en uitvoering

Art. 9.

De aanvragen worden aan de expertpanels, die de kandidaten beoordelen, voorgelegd. De expertpanels brengen verslag uit aan de raad van bestuur van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. De aanstelling gebeurt door de raad van bestuur van het FWO.

Art. 10.

§1. Het onderzoeksproject, dat door de houders van een beurs wordt voorgesteld, dient te worden uitgevoerd onder de leiding van een promotor, eventueel in samenwerking met copromotoren.

§2. De promotor dient over minimum één van de volgende aanstellingen te beschikken:

  • een minimale ZAP-aanstelling van 50 procent aan een hoofdonthaalinstelling vermeld in artikel 4 van dit reglement;
  • een aanstelling als onderzoeksdirecteur van het FWO;
  • een ERC Grant met een hoofdonthaalinstelling vermeld in artikel 4 van dit reglement;
  • een Odysseus II-toelage met een Vlaamse universiteit als hoofdonthaalinstelling.

Een promotor die geen van voornoemde aanstellingen geniet behalve een ZAP-aanstelling met aanstellingspercentage van minder dan 50 procent maar van minimum 10 procent kan als promotor optreden indien hij

  • beneficiant is van een onderzoeksmandaat of -project van het FWO;

of daarnaast aangesteld is in:

  • een hoofdonthaalinstelling, zoals opgesomd in artikel 4 van dit reglement;
  • een Vlaams academisch ziekenhuis;
  • een Vlaams ziekenhuis met academisch karakter;
  • een erkende Vlaamse of federale onderzoeksinstelling;
  • een Strategisch Onderzoekscentrum (SOC).

Daarbij dient het totaal aan aanstellingspercentage in de in deze paragraaf genoemde instellingen minstens 70% van een voltijds equivalent te bedragen.

Daarnaast kan een kandidaat met zowel een ZAP-aanstelling van 5% als een aanstelling van kliniekhoofd of adjunct-kliniekhoofd of een gelijkgestelde functie in een Vlaams Academisch Ziekenhuis eveneens als promotor(-woordvoerder) optreden.

§3. Alle copromotoren zijn ZAP of onderzoekers met minimaal een postdoctoraal niveau.

Art. 11.

Het al dan niet ondergaan van een medisch onderzoek door de mandaathouders in de bedrijfsgeneeskundige dienst van de instelling waar ze hun onderzoek doorvoeren is afhankelijk van de eigen reglementering van hun onthaalinstelling. Indien er volgens de reglementering van hun onthaalinstelling een medisch onderzoek noodzakelijk is, zal hun aanstelling slechts ingaan indien het attest van dat geneeskundig onderzoek gunstig is.

Art. 12.

§1. De doctoraatsbeurs aspirant strategisch basisonderzoek is onderworpen aan het toepassingsgebied van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zoals bepaald in artikel 15, 2° van dat Koninklijk Besluit.

§2. De doctoraatsbeurs aspirant strategisch basisonderzoek is vrijgesteld van personenbelasting overeenkomstig artikel90, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van 10 april 1992, de Com. I.B. 41/22 en Circulaire Ci. RH 241/430.824 van Directie II/6  voor een periode van twee jaar, eventueel eenmaal verlengbaar met twee jaar.

§3. Overeenkomstig artikel 143, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van 10 april 1992 en de Com. I.B. 136/27 worden beurzen niet als bestaansmiddelen beschouwd.

Houders van een beurs kunnen als fiscaal ten laste worden beschouwd.

Hoofdstuk 4. Hernieuwing

Art. 13.

§1. Het mandaat aspirant strategisch basisonderzoek kan eenmalig worden verlengd voor een periode van twee jaar.

Deze tweede periode dient aan te sluiten bij de eerste periode.

§2. Deze hernieuwing dient, ongeacht eventuele schorsingen, te worden aangevraagd tijdens het tweede mandaatjaar uiterlijk op de indiendatum zoals vermeld in de oproep.

§3. In de loop van de eerste beurstermijn roept het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  de houders van een beurs op om bij de raad van bestuur van het FWO een beursaanvraag voor een tweede beurstermijn in te dienen, samen met een voortgangsverslag en het advies van de promotor over de aangevraagde verlenging van de beurs.

Op basis van deze documenten beslist de raad van bestuur van het FWO over de toekenning van de tweede beurstermijn. Bij deze beslissing volgt de raad van bestuur van het FWO het advies van de promotor.

§4. De raad van bestuur van het FWO heeft recht de promotor en/of houder van een beurs op gelijk welk ogenblik op te roepen om toelichtingen te verschaffen over het verloop van de doctoraatswerkzaamheden.

§5. De houder van een beurs heeft het recht, ongeacht het advies van de promotor, de raad van bestuur van het FWO te verzoeken voor een expertpanel te kunnen verschijnen voor de verdediging van zijn beursaanvraag. Het oordeel over al dan niet toekenning van de beursverlenging van het expertpanel heeft steeds voorrang op het advies van de promotor.

§6. De houder van een beurs die een doctoraat op proefschrift behaalt gedurende de eerste termijn van zijn mandaat kan geen verlenging van zijn mandaat aanvragen.

Hoofdstuk 5. Rechten en plichten van de houders van een beurs

Art. 14.

De houders van een beurs verbinden zich ertoe een doctoraat op proefschrift voor te bereiden.

Art. 15.

§1. De houders van een beurs vallen onder de administratieve en juridische bevoegdheid van de raad van bestuur van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en zijn secretaris-generaal. De houders van een beurs vallen onder de disciplinaire bevoegdheid van de academische overheid van de universiteit.

§2. De houders van een beurs verbinden ertoe de reglementen van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  en die van de academische overheden van de universiteit na te leven.

§3. Van kandidaten met een academisch diploma afgeleverd door een universiteit buiten de Vlaamse Gemeenschap wordt verondersteld dat zij het Nederlands dermate beheersen om de inschakeling in de onderzoeksomgeving in Vlaanderen mogelijk te maken.

Art. 16.

De houders van een beurs mogen slechts omwille van behoorlijke en verantwoorde motieven en mits toestemming van hun promotor en van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, het onderwerp van hun onderzoek aanpassen. Zij kunnen niet van onthaalinstelling veranderen, tenzij de betrokken onthaalinstellingen dat formeel toestaan.

Art. 17.

De concrete plaats waar de houder van een beurs zijn werkzaamheden uitvoert, kan in overleg met de onthaalinstelling worden bepaald.

Art. 18.

§1. De houders van een beurs kunnen een doctoraatsopleiding volgen. Daarnaast kunnen zij andere cursussen volgen in relatie tot hun onderzoek, voor zover de afwerking van het doctoraatsproefschrift binnen de duur van het mandaat niet in het gedrang komt.

§2. De totale werklast, zowel voor het volgen van andere cursussen als voor opdrachten waarmee ze door hun promotor worden belast, bedraagt maximaal 8 uur per week. Deze opdrachten kunnen zijn: begeleiding van oefeningen, practica, seminaries, of administratieve of klinische taken.

De werklast voor oefeningen, practica of seminaries wordt dubbel geteld. Een uur van dergelijke opdrachten wordt gelijkgesteld aan twee uur werklast.

§3. De houder van een beurs mag geen leeropdrachten waarnemen en  mag geen lerarenopleiding volgen.

Art. 19.

§1. De cumulatie van het mandaat aspirant strategisch basisonderzoek met iedere andere bezoldiging of vergoeding is uitgesloten.

§2. Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  kan op aanvraag van de houder van een beurs een gehele of gedeeltelijke cumulatie met toelagen voor studieverblijven in het buitenland toestaan.

§3.Titularissen van een reisbeurs van het FWO, de Vlaamse Gemeenschap, de federale regering of in het kader van de culturele akkoorden, mogen deze met hun mandaat cumuleren.

De titularissen van dergelijke reisbeurzen dienen het FWO hiervan in kennis te stellen.

§4. De masters in de rechten, houders van een beurs van het FWO, mogen niet ingeschreven zijn aan de balie.

Art. 20.

De houders van een beurs dienen op het einde van hun vierde mandaatjaar een verslag over hun wetenschappelijke activiteiten aan het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  voor te leggen.

Art. 21.

§1. De houders van een beurs dienen op al hun publicaties en overdrukken hun titel van houder van een beurs strategisch basisonderzoek van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  en het FWO-dossiernummer van hun mandaat te vermelden.

§2. Bij alle communicatie met betrekking tot hun onderzoek dient de  FWO-affiliatie van de houder van een beurs vermeld te worden.

Art. 22.

§1. De titularissen van een mandaat die een onderzoeksverblijf in het buitenland wensen door te voeren, dienen de toestemming van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  en de betrokken onthaalinstelling te vragen.

§2.Het buitenlands studieverblijf kan enkel worden toegestaan indien de houder van een beurs tijdens het buitenlands verblijf onderworpen kan blijven aan de Belgische sociale zekerheid. Bijgevolg dient de houder van een beurs minstens 30 kalenderdagen voor zijn vertrek onder de Belgische sociale zekerheid te hebben geressorteerd.

De secretaris-generaal kan uitzonderlijk beslissen, op basis van een gemotiveerd verzoek, om van de voorwaarde om onderworpen te blijven aan de Belgische sociale zekerheid af te wijken.

Art. 23.

De titularissen van een mandaat dienen het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van elke tijdelijke onderbreking van hun onderzoek, ongeacht de oorzaak ervan.

Art. 24.

§1. De mandaathouders dienen als verplicht verzekerde aan te sluiten bij een Belgisch ziekenfonds naar keuze.

§2. Bij ziekte dient de mandaathouder binnen de 48 uur aan het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  de medische attesten te laten geworden waarin de periode van de ongeschiktheid vermeld is.

Een dubbel van het medisch attest dient, met tussenkomst van zijn promotor, te worden bezorgd aan de bevoegde dienst van de universiteit waar de mandaathouder zijn onderzoek doorvoert.

Art. 25.

De mandaathouder dient het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  zo snel mogelijk schriftelijk op de hoogte te brengen van om het even welke wijziging in zijn situatie, zoals de wijziging in zijn burgerlijke stand, een geboorte, een adresverandering of andere.

Hoofdstuk 6. Schorsing

Art. 26.

§1. Het mandaat kan om geen enkele reden worden geschorst of verdaagd behalve om de redenen die in dit artikel worden genoemd.

§2. Het mandaat kan geschorst worden tijdens langdurig ziekteverlof, zwangerschaps- en borstvoedingsverlof, ouderschapsverlof, palliatief verlof en verlof voor medische bijstand. In deze gevallen wordt het mandaat verlengd met de periode tijdens dewelke het mandaat niet werd uitgevoerd.

Verlengingen van minder dan twee weken worden niet in aanmerking genomen.

§3. Indien zich voltijdse schorsingen van aaneensluitende periodes van drie maanden hebben voorgedaan, waarbij het mandaat niet werd uitgevoerd, omwille van langdurig ziekteverlof, zwangerschaps- en borstvoedingsverlof, ouderschapsverlof en palliatief verlof, wordt het mandaat automatisch verlengd met één jaar, waarbij die verlenging ingaat vanaf de oorspronkelijke einddatum van het mandaat. Deze administratieve verlenging wordt slechts eenmaal  verleend en schorsingen tijdens deze automatische verlenging van het mandaat geven geen aanleiding meer tot verdere verlenging van het mandaat.

De hernieuwing van het mandaat moet in elk geval worden aangevraagd tijdens het tweede mandaatjaar.

§4. Het directiecomité van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  kan uitzonderlijk een verlenging tot maximum vijf jaar toewijzen in die gevallen waar zich omwille van sociale en medische redenen een verminderd arbeidsrendement voordoet.

§5. Volgens de ter zake geldende wettelijke bepalingen kan drie maanden op voorhand een tijdskrediet worden aangevraagd. Dit geeft geen aanleiding tot verlenging van het mandaat.

§6. De mandaathouders dienen het FWO zo spoedig mogelijk van alle onderbrekingen van hun werkzaamheden op de hoogte te brengen.

Hoofdstuk 7. Beëindiging

Art. 27.

Met uitzondering van de bepalingen van artikel 19 mogen de titularissen van een onderzoeksbeurs strategisch basisonderzoek geen deel uitmaken van het Assisterend of Zelfstandig Academisch Personeel van  eender welke universiteit of equivalente functieniveaus aan eender welke andere instelling.

Art. 28.

§1. Behoudens de gemeenrechtelijke regels van beëindiging, neemt het mandaat, en derhalve de beursovereenkomst, in de regel een einde na afloop van de termijn van twee jaar.

§2. De beursovereenkomst wordt van rechtswege onmiddellijk ontbonden, zonder enige vergoeding, indien de houder van een beurs niet langer verbonden is aan een onthaalinstelling genoemd in artikel 4 van dit reglement, eventueel in samenwerking met een Vlaamse of federale wetenschappelijke instelling, of indien de promotor niet langer tenminste een van de posities bekleedt zoals opgesomd in artikel 10 van onderhavig reglement.

§3. De houder van een beurs heeft in voorkomend geval  het recht om, in overleg met de onthaalinstelling, een alternatieve promotor voor te stellen, die aan minimaal één van de vereiste criteria zoals bepaald in artikel 10 van onderhavig reglement voldoet, zo ontbinding van de overeenkomst te proberen vermijden.

§4. In geval een ernstige integriteitsinbreuk bij de promotor van de houder van een beurs wordt vastgesteld die volgens de onthaalinstelling ernstig genoeg is om niet meer te kunnen optreden als promotor, kan de houder van een beurs een alternatieve promotor voorstellen in overleg met de onthaalinstelling.

Art. 29.

De beursovereenkomst wordt tevens van rechtswege ontbonden, zonder vergoeding of opzeg aan de onderzoeker, in geval de onderzoeker een integriteitsinbreuk heeft begaan die elke professionele samenwerking tussen het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  en de onderzoeker onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Art. 30.

§1. Van zodra het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen kennis krijgt van inbreuken op de wetenschappelijke integriteit van een van zijn onderzoekers hoort het FWO de onderzoeker.

§2. De onderzoeker kan zich laten bijstaan door een raadsman.

§3. Nadat de onderzoeker werd gehoord, kan het FWO een van de volgende beslissingen nemen:

  1. het dossier zonder gevolg klasseren;
  2. de feiten die zich hebben voorgedaan formeel vaststellen en deze vaststelling opnemen in het persoonlijk dossier van de houder van een beurs bij het FWO;
  3. een formele verwittiging geven en deze verwittiging opnemen in het persoonlijk dossier van de houder van een beurs bij het FWO;
  4. de overeenkomst van rechtswege ontbinden zoals voorzien in artikel 16 van onderhavig reglement.

§4. Bij de beoordeling van de aanvraag tot verlenging van het mandaat kunnen  bovenvermelde gevolgen b) en c) in aanmerking genomen worden.

Art. 31.

De houders van een beurs kunnen, voor zover ze het hoofd van de onthaalinstelling, hun promotor en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  hiervan in kennis hebben gesteld, om het even wanneer van hun mandaat afstand doen.

Hoofdstuk 8. Berekening van de beurs en storting

Art. 32.

§1. Het bedrag van de beurs is beperkt tot het nettoloon dat de begunstigde zou ontvangen als assistent aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap, zoals bepaald door het Besluit van de Vlaamse regering van 4 mei 2001 tot vaststelling van de salarisschalen van het assisterend academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap..

§2. Het netto beursbedrag per maand bedraagt minimum 1897,76 euro, geïndexeerd met 1.6734 zoals bepaald op 1 juli 2017.

§3. De beurs wordt aangepast naargelang de toegekende geldelijke anciënniteit van de beurshouder. De beurs houdt rekening met de gezinstoestand en is onderworpen aan de sociale zekerheid.

§4.Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage dat de beurshouder ontvangt stemt overeen met het vakantiegeld en de eindejaarstoelage dat deze zou ontvangen als assistent aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 33.

Indien zij gebruik maken van het openbaar vervoer of de fiets voor hun verplaatsing van en naar het werk in België kunnen mandaathouders van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  aanspraak maken op een bijdrage in de kosten, in dezelfde mate zoals bepaald voor het academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 34.

§1. De inschalinganciënniteit van houders van een beurs wordt berekend aan de hand van de verworven wetenschappelijke anciënniteit en rekening houdend met de hiernavolgende bepalingen:

  • de duur van de aanstelling in een dienstverband van ten minste 50% aan een universiteit, wetenschappelijke instelling of onderneming, met dien verstande dat het gaat om een opdracht die onderzoeksactiviteiten omvat;
  • de duur van de vrijwillig verrichte onderzoeksactiviteiten aan een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap voor zover de omvang van deze activiteiten ten minste 50% bedraagt van een normale voltijdse taakvervulling;
  • de helft van de duur van de aanstelling bedoeld in het eerste en het tweede streepje van de huidige paragraaf, indien het een dienstverband van minder dan 50% betreft.

§2. De duur van de aanstelling wordt berekend per kalendermaand. Onvolledige maanden worden niet meegerekend. De totale omvang van de inschalinganciënniteit kan nooit de nominale duur van de in aanmerking komende periodes overschrijden.

§3. Elke periode van voorafgaande tewerkstelling die in aanmerking kan genomen worden, wordt gestaafd aan de hand van een verklaring op erewoord.

Art. 35.

De beurs is gekoppeld aan de gezondheidsindex in de mate dat zij toepasselijk is op het academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 36.

De beurs wordt maandelijks, na het verstrijken van de maand, op een Belgische financiële rekening gestort.

Hoofdstuk 9. Arbeidsongevallen en aansprakelijkheid

Art. 37.

§1. De houders van een beurs zijn krachtens een door de wet vereist verzekeringscontract gedekt tegen risico's van het normale seminarie- en/of laboratoriumwerk, alsmede tegen ongevallen die zich zouden kunnen voordoen op de weg van en naar het werk. Het door de wet vereist verzekeringscontract dekt eveneens de risico’s van het normale seminarie- en/of laboratoriumwerk, alsmede de ongevallen die zich zouden kunnen voordoen op de weg van en naar het werk gedurende de tijdelijke buitenlandse opdrachten waarvoor door het Fonds  Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen voorafgaandelijk toestemming gegeven werd.

§3. De burgerlijke aansprakelijkheid van de mandaathouders is gedekt door een collectieve verzekering, aangegaan door het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen.

Art. 38.

§1. Bij een arbeidsongeval dient de personeelsdienst van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  binnen de 24 uur telefonisch op de hoogte te worden gebracht.

§2. De officiële verklaring samen met een medisch attest van vaststelling dient zo spoedig mogelijk naar het FWO te worden gestuurd.

§3. De bedrijfsgeneeskundige dienst van de onthaalinstelling waaraan het mandaat is geaffilieerd, evenals de promotor, dienen van het arbeidsongeval op de hoogte te worden gebracht.

Hoofdstuk 10. Kinderbijslag

Art. 39.

§1. Elke geboorte van een kind van de houder van een beurs dient aan het Fonds  Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen gemeld te worden.

§2.Het FWO bezorgt de betrokkene de vereiste formulieren tot het bekomen van kinderbijslag en kraamgeld.

§3. Er wordt herinnerd aan de bepalingen van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939, zoals bijvoorbeeld de regeling dat personen die onderworpen zijn aan de volledige regeling van de sociale zekerheidsbijdrage geen recht op kinderbijslag hebben voor zichzelf.

Art. 40.

Om hun recht op kinderbijslag te vrijwaren, dienen de mandaathouders met kinderen ten laste het FWO in kennis te stellen van elke buitenlandse reis in dienstverband. Tevens dienen de mandaathouders tijdens dit verblijf in het buitenland een domicilie in België te behouden.

Hoofdstuk 11. Jaarlijkse vakantie

Art. 41.

§1. De vakantieperioden voor mandaathouders zijn dezelfde als deze bepaald in het reglement van de onthaalinstelling en worden in gemeenschappelijk overleg met de promotor vastgesteld.

§2. De houders van een beurs dienen aan het secretariaat van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen  de data van hun jaarlijkse vakantie op te geven.

§3.Het vakantiegeld, berekend op basis van de beurs van de maand juni, wordt in de loop van de maand mei op de rekening van de mandaathouder gestort.