Bram Wauters

Wie is nog van de partij in het onderzoek naar partijleden?

Dinsdag 28 maart 2017. In de chique salons van de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt het boek ‘Wie is nog van de partij?’ voorgesteld. Dit boek is het resultaat van grootschalige ledenbevragingen die we dankzij enkele FWO-kredieten hebben kunnen houden bij Vlaamse partijen. Voor politicologen is dit een droomlocatie voor een boekvoorstelling: midden in het huis van de democratie, en meer bepaald in de salons waar de onderhandelingen werden gevoerd om verschillende regeringen te vormen. Bovendien waren de vijf nationale partijvoorzitters aanwezig om hun replieken te geven op de bevindingen van ons boek. Eén van die voorzitters vertrouwde me zelfs toe dat ze op hun partijbureau de conclusies van het boek uitgebreid besproken hadden. Maar niet alleen op maatschappelijk vlak scoorde dit boek goed. Eerder al was het door een proces van externe peer-review gegaan (om een felbegeerd GPRC-label te bekomen), en intussen zijn op basis van de boekhoofdstukken papers geschreven die gepresenteerd worden op internationale congressen om ze daarna dan in te dienen bij hoogaangeschreven wetenschappelijke tijdschriften.

Flashback naar voorjaar 2011. Ik was toen nog een (iets) jonge(re) doctor-assistent aan de Hogeschool Gent. Binnen onze dynamische en ambitieuze vakgroep Bestuur en Beleid (met prominente collega’s als o.m. Filip De Rynck, Karen Celis en Bram Verschuere, die intussen elk aan diverse academische instellingen hun weg gevonden en hun stempel gedrukt hebben), waren we vastbesloten om vaart te zetten achter de academisering die hogescholen moesten doorvoeren. Aan enthousiasme en plannen geen gebrek, maar we waren vaak gefrustreerd dat we werden uitgesloten van financieringskanalen voor onderzoek. Ook al wilden we vooruit, het werd ons niet steeds makkelijk gemaakt.

Ik ging in die tijden (en nu nog altijd trouwens) vaak naar internationale congressen waarin onderzoek naar partijen en partijleden gepresenteerd werd. Terwijl ik vaak (deels) noodgedwongen werkte met interview-data of bestaande data analyseerde, keek ik met enige afgunst naar buitenlandse collega’s die konden uitpakken met de resultaten van grootschalige ledenbevragingen. Dat wou ik ook doen. Op dat moment was het goed dat er een laagdrempelig en kortlopend onderzoekskrediet beschikbaar was. Dat was met name het Individueel Krediet aan Navorser (zoals dat heet in het typische FWO-jargon). Als doctor-assistent met een tijdelijke aanstelling (die bovendien verbonden was aan een hogeschool), was dat één van de weinige onderzoekskredieten die ik toen (zelfstandig) kon aanvragen. Tot mijn grote vreugde werd mijn eerste aanvraag om twee partijen te bevragen gehonoreerd, en kon ik aan de slag met enquêteformulieren, terugstuurenveloppes, etiketten en daarna met grote databestanden. Later kwamen daar nog andere kredieten bij, die me toelieten om ook de leden van andere partijen te bevragen, en die uiteindelijk resulteerden in het boek.

Naast het financieren van excellent wereldvermaard onderzoek, vind ik het daarom zeer belangrijk dat er ook voldoende onderzoeksfinancieringsmogelijkheden zijn die wat laagdrempeliger en kortlopender zijn. Dat is in het bijzonder interessant voor doctor-assistenten die vaak een beetje tussen schip en wal dreigen te geraken. Het kan zo een opstapje vormen om expertise verder op en uit te bouwen, en later volop tot bloei te laten komen.

Een tweede les die ik meeneem uit deze ervaringen is dat samenwerking loont. Ik kon maar indienen vanuit Hogeschool Gent omdat de vakgroep politieke wetenschappen van de Universiteit Gent (in hoofde van Carl Devos) de openheid aan de dag legde om deze aanvraag mee te ondersteunen. Later, toen ik zelf volledig geïntegreerd was in die universiteit, vond ik nog meer medestanders om hun schouders te zetten onder dit boekproject: door data te integreren, door analyses te voeren, door hoofdstukken uit te schrijven en door bedenkingen en opmerkingen te formuleren. Het was (om een mail van één van de betrokken medewerkers te parafraseren) een goede, maar vooral ook een prettige samenwerking. De samenwerking beperkt zich trouwens niet tot de eigen universiteit. Intussen hebben we samen met een collega uit London een mooie paper geschreven waarin we Vlaamse en Britse partijleden vergelijken.

Ik kijk dan ook met grote tevredenheid terug op dit zeer geslaagde boekproject. Het neemt zonder twijfel een belangrijke plaats in binnen mijn (nog relatief jonge) wetenschappelijke carrière. Verschillende personen en instellingen hebben me daarbij aangemoedigd en ondersteund. Het FWO was daar zeker een belangrijke actor in.

comments powered by Disqus