Greet Van den Berghe

Laureaat zijn van een FWO excellentieprijs, het doet wat met een mens

Op een mooie woensdag ochtend in juni, tijdens de wekelijkse bespreking van de nieuwe onderzoeksresultaten van mijn team, kreeg ik onverwacht een telefoontje van Mevrouw Monard.  Een internationale jury had mij zonet één van de 5-jaarlijkse FWO Excellentieprijzen, met name de 2015 “Joseph Maisin prijs voor klinisch wetenschappelijk onderzoek”, toegekend.  “Het was een heel kritische jury, je hebt het niet cadeau gekregen!”, zo zei mevrouw Monard. Ik mocht nog niks zeggen, maar ik moest me vrij maken voor een persconferentie begin juli, vandaar dat ze al belde. Op zo’n moment wil je toch alleen maar heel luid “yes!!!” roepen en een zotte rondedans maken, geef toe! In plaats daarvan met een uitgestreken gezicht de vergadering verder zetten was een uitdagende oefening in zelfbeheersing.  Want in mezelf klonk er jubelende muziek en was er die enorme drang om het goede nieuws onmiddellijk met mijn team te delen!  Wat een fantastisch nieuws!  Wat een erkenning voor al het werk van het hele team de voorbije 20 jaar! Ik was zo blij en apetrots op hen allemaal!

Een carrièreprijs, zo heet dat dan. Dat doet een mens mijmeren, over hoe snel we oud worden, ja dat ook, maar vooral over hoe het allemaal begonnen is. 

Mijn onderzoeksloopbaan begon relatief laat. Dat was enkel en alleen te wijten aan mijn koppige eigenwijsheid en drang naar zelfbeschikking. Het bleek snel dat ik de moeilijkste weg gekozen had maar hiervoor kan ik dus enkel mezelf verwijten.  Toen ik na mijn geneeskunde studies begon aan een eerste klinische specialisatie sprak het mij niet aan om in een doctoraatsproject te stappen dat was voorgekauwd door anderen. Ik wilde zelf mijn onderzoeksvragen kunnen formuleren en mijn eigen projecten uitwerken.  Dus specialiseerde ik eerst in de anesthesie en daarna in de intensieve geneeskunde.  En ik studeerde biostatistiek.  Nu ik erop terug kijk zijn die klinische ervaring en die opleiding biostatistiek van onschatbare waarde geweest.  Essentieel misschien zelfs voor het soort onderzoek dat ik koos te doen: “omgekeerd” translationeel wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek dat start bij de patiënt, vandaar naar het laboratorium gaat, en daarna snel weer terugkeert naar de patiënt. Klinische ervaring en kennis van de biostatistiek zijn cruciaal om patronen te kunnen herkennen in schijnbare chaos - de complexiteit van de kritiek zieke patiënt - en om relevante onderzoeksvragen en hypothesen scherp te formuleren en correct te toetsen in een complexe klinische setting. Na al die bijkomende opleidingen groeide de goesting om wetenschappelijk onderzoek te doen gestaag. Er waren zoveel observaties bij die heel zieke patiënten voor wie ik had leren zorgen die onverklaard bleven. De intensieve geneeskunde, een erg jonge discipline, was naar mijn gevoel teveel gebaseerd op “geloof” en meningen van zelfverklaarde experten. En ik had veel vragen, vooral over de metabole en hormonale reacties op kritieke ziekte. Ik wilde onderzoek gaan doen om antwoorden te vinden op mijn vragen.

Ik heb veel geluk gehad. Eerst en vooral was ik gezegend met een schitterende promotor voor mijn doctoraat, iemand die evenzeer gebeten was van patiënt-georiënteerd wetenschappelijk onderzoek en van wie ik heel veel heb geleerd. Ik kreeg ook toegang tot een gerenommeerd laboratorium, waarvan de professor me toeliet er te werken wanneer het mij uitkwam, na of voor de klinische dagtaak dus, en onkosten te maken voor mijn experimenten zonder dat ik er eerst het geld voor moest neerleggen.  Vrijheid om hoog risico onderzoek te mogen opstarten, zo’n kostbaar privilege.

Dat privilege heb ik wel moeten delen met mijn patiënten. Er was geen traditie van wetenschappelijk onderzoek op onze klinische dienst voor Intensieve Geneeskunde, waar ik inmiddels als jong staflid aan het werk was. Een FWO-mandaat en vrijstelling van klinisch werk was niet bespreekbaar want de zorg voor de kritiek zieke ging altijd voor. Vier keiharde jaren waren dat. Ik heb me toen steevast voorgenomen om later voor mijn eigen toekomstige doctoraatsstudenten goed te zorgen en hen aan te moedigen om er vroeger aan te beginnen, met steun van een FWO aspirantenbeurs indien mogelijk, en met gegarandeerde vrijstelling van klinisch werk.  

Tegen het einde van mijn doctoraat had ik de onderzoeks “bug” heel stevig te pakken. Met mijn stoute schoenen aan ben ik toen gaan negotiëren met het klinische diensthoofd over de mogelijkheid om een postdoctorale FWO beurs voor fundamenteel klinisch onderzoek aan te vragen, zodat ik me toch voor 50% zou kunnen toeleggen op mijn eigen wetenschappelijk onderzoek. Het was een trendbreuk, maar ik kreeg die zo noodzakelijke steun van de baas! Vanaf dan was ik echt vertrokken. Met 3 opeenvolgende “Fundamenteel Klinische FWO mandaten” en regelmatig projectfinanciering van het FWO werd het een zalige periode!  Toegang tot een laboratorium, tijd om onderzoek te doen en stilaan vooruit te gaan, een onderzoeksgroepje kunnen uitbouwen, dat team laten groeien, een eigen laboratorium oprichten en de creativiteit de vrije loop laten. Via het onderzoek werd de hele wereld mijn werkterrein. Via het onderzoek en de samenwerkingen werden vele internationaal gerenommeerde en creatieve topwetenschappers persoonlijke vrienden. Door het onderzoek hebben we als Leuvens team de Intensieve Geneeskunde internationaal een beetje kunnen veranderen, en op die manier veel meer patiënten beter kunnen maken dan enkel die waarvoor we zelf als artsen zorgen. Dat was mijn drijfveer.  En dat is gelukt.  Ik zei het al, ik heb heel veel geluk gehad.

Het is vooral een groot geluk om hoogstaand klinisch werk aan een Universitair ziekenhuis te mogen combineren met eigen creatief wetenschappelijk onderzoek. Die combinatie geeft zoveel voldoening. Het is de enige incentive om artsen aan te trekken naar de academische geneeskunde en hen daarin te laten excelleren en tegelijk de beste preventie tegen “burn out”.

Ja, ik heb echt veel geluk gehad. Nu weer dus. Twintig jaar na de start van mijn onafhankelijke onderzoeksloopbaan een FWO Excellentieprijs krijgen is een onvoorstelbaar deugddoende bekroning voor het hele team. Ik ben het FWO heel dankbaar, want zonder het FWO stonden we vandaag niet waar we nu staan. Ik wens het FWO en al die mensen die op cruciale momenten hebben geloofd in mijn eigenwijsheid en op wiens steun ik heb kunnen bouwen te betrekken bij deze grote eer.  Dank u wel.