Jan Beyers

Als me wordt gevraagd aan wie of wat ik mijn onderzoeksloopbaan te danken heb, dan passeren diverse namen de revue. Gedurende een twintig jaar durende carrière zijn er natuurlijk verschillende sleutelmomenten en figuren, maar het FWO staat prominent bovenaan. Daar kan geen enkele twijfel over bestaan.

Ik startte mijn loopbaan in 1993 als onderzoeker in een FWO-project aan de Universiteit Antwerpen. Toen heette dat nog het Fonds voor Kollektief Fundamenteel Onderzoek (ja, ‘collectief’ werd zo geschreven met twee k’s). Het project ging over intergouvernementele netwerken in de Europese Unie. De projectomschrijving was nogal vaag en breed, maar dat kon toen nog. Vandaag, met de toegenomen competitie en de veel hogere eisen, zou onze toenmalige projectaanvraag het nooit gehaald hebben. Het project werd een enorm succes met meer dan 10 internationale peer-reviewed artikels in politicologische journals, iets wat toen toch een unicum was. Vlaamse politicologen publiceerden nog niet internationaal en wij – Guido Dierickx, Bart Kerremans en ikzelf - waren wat dat betreft trendsetters.

Hierna ging ik werken bij de KU-Leuven waar ik, wederom met steun van het FWO, binnen het Instituut voor Internationaal en Europees Beleid (vandaag LINES) onder deskundige begeleiding van Frank Delmartino en Bart Kerremans een proefschrift maakte rond belangenvertegenwoordiging in de Europese Unie. Mijn proefschrift legde de basis voor diverse van mijn huidige onderzoekslijnen die doorwerken in huidige projecten, onder andere mijn recent verworven ERC Consolidator Grant alsook het onderzoeksprogramma van mijn onderzoeksteam ACIM. Ik ben altijd gefascineerd geweest door de wijze  waarop maatschappelijke belangen – en die kunnen zeer divers zijn – politieke processen en het overheidsbeleid beïnvloeden. En waarom vele belangrijke zaken juist geen politieke aandacht krijgen. En hoe politieke instituties, alsook allerlei regels en normen, processen van belangenvertegenwoordiging vorm geven.

Na het verdedigen van mijn proefschrift (in 2000) was het weer het FWO dat me verder hielp, deze keer met een postdoctorale beurs. Ik heb daar enorm van genoten. Het was, ondanks de job-onzekerheid, een van de mooiste periodes uit mijn loopbaan. Het FWO voorzag ook in een genereuze toelage die het mogelijk maakte om een jaar in Noorwegen bij ARENA te verblijven, een plek waar ik bijzonder veel geleerd heb, veel contacten heb kunnen leggen, veel geschreven en gelezen heb… kortom, me nog diepgaander kon ontwikkelen als academisch onderzoeker. Ik zou het onmiddellijk overdoen.

Ik ben twee jaar FWO postdoc geweest en heb, zoals vele postdocs, mijn driejarige termijn niet uitgedaan. Het werd tijd, ook voor mijn gezin, voor een meer vaste baan. Die kreeg ik in 2003 bij de Universiteit Leiden binnen het departement politieke wetenschappen. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat mijn FWO-gekleurde voortraject enorm heeft bijgedragen tot deze aanstelling. Vijf jaar heb ik het genoegen gehad om hier te mogen werken. Mijn pad was er tot dan toe één met uitsluitend onderzoek. Ik had amper onderwijservaring. Het beste dat me overkomen is, is dat ik deze ervaring heb kunnen opdoen aan een gerenommeerde universiteit buiten Vlaanderen. Eigenlijk zouden alle academici voor een periode van ettelijke jaren ervaring ergens in het buitenland moeten opdoen (ik heb me altijd ongemakkelijk gevoeld bij de Vlaamse kerktorenmentaliteit).

Rond 2006 begon het te kriebelen. Mijn onderzoek liep prima. Ik genoot enorm van het onderwijs in de Leidse onderzoeksmasters, de internationale onderwijsomgeving en de uitmuntende studenten waarmee ik mocht werken. Echter, mijn droom was om een eigen onderzoekteam uit te bouwen. Ik ben er immers van overtuigd dat onderzoek, ook in de sociale wetenschappen, meer en meer teamwerk moet worden waarbij op een slimme manier gespecialiseerde onderzoekstaken worden verdeeld. De hedendaagse technologie maakt bijzonder veel mogelijk op onderzoeksvlak, maar helaas blijven teveel sociale wetenschappers steken in een wat verouderd model van individueel onderzoek. Overigens, ik vind het gewoon fijn om met andere mensen samen te werken en interessante projectjes op te zetten. Het Leidse departement had geen traditie inzake collectief onderzoek. En dat miste ik; ik was trouwens begonnen bij het Fonds voor Kollektief Fundamenteel Onderzoek.

Toen werd ik ‘geroepen’ vanuit de Universiteit Antwerpen. Er was een ZAP-plek vrij en men moedigde me aan om mee te dingen in het Odysseus-programma gefinancierd door… het FWO. Dit was heel aanlokkelijk; een vaste aanstelling plus ruime middelen om een onderzoeksteam op te zetten. Ik solliciteerde en men zag me graag terugkomen. Dat was de helft van de buit. De andere helft was lastiger. Ik werd afgewezen in een eerste ronde en was vreselijk teleurgesteld. Daar gaat mijn droom dacht ik. Ook dat is academia in dit tijdsgewricht. Heftige competitie, teleurstellingen en (soms ook onterechte) afwijzingen. Ik ben dikwijls vreselijk boos geweest. Je hebt je dan uitgesloofd en je paper of projectaanvraag wordt weer eens afgewezen. Trouwens, mijn meest geciteerde artikels hebben als kenmerk… dat ze minstens één keer werden afgewezen. De belangrijkste les is dat je nooit mag opgeven, altijd moet voortdoen en ook een beetje (maar ook weer niet teveel) in jezelf moet geloven.  

Ik diende mijn Odysseus-project een jaar later opnieuw in, flink herwerkt, en deze keer bingo. Ik kon meteen een twee doctorandi aanstellen, een postdoc, plus had ruim middelen om allerlei andere zaken uit te werken. Het Odysseus-project is het vertrekpunt geweest voor vele andere projecten, waaronder het INTEREURO-project en recent mijn ERC Consolidator Grant. Dankzij de inzet en de steun van een paar collega’s bouwden we een hecht onderzoeksteam uit, met ondertussen een 10-tal doctorandi, een paar assistenten, twee doctorandi en drie professoren. Niet alleen het geld was belangrijk, maar vooral werd het mogelijk ‘om tijd te kopen’, want tijd (en niet geld, maar tijd kost geld) is het meest schaarse goed voor onderzoekers. Ik kon meer ruimte maken voor onderzoek en beginnen met de opleiding van jonge onderzoekers. Dat laatste is echt het interessantste wat er is, met jonge en frisse knappe koppen nieuwe dingen uitproberen. Zo ontwikkelen we momenteel interessante survey-toepassingen, nieuwe interviewtechnieken, testen geavanceerde statistiek, enzovoort. Recent besteden we ook meer aan de beleidsimplicaties van het onderzoek, onder andere door workshops te organiseren met practitioners.

Als mensen me vragen wat ik doe aan de universiteit en ik zeg ‘Ik ben een politicoloog of politiek wetenschapper’ komen er steevast vragen over één of andere politieke actualiteit of wordt gezegd dat het ‘interessante tijden zijn’. Bijzonder aan mijn discipline is dat het (in tegenstelling tot andere disciplines) over iets gaat – politiek – waarover velen een mening hebben. Echter, politicologie gaat niet over losse opvattingen of ideetjes, maar is een wetenschappelijke discipline die op een systematische wijze tracht gefundeerde uitspraken te doen over hoe de samenleving wordt bestuurd en welke machtsprocessen daaraan ten grondslag liggen. Wie heeft het voor het zeggen? Daarover gaat mijn vak. Geen gemakkelijk vak, want het idee dat je het wetenschappelijk kunt (en in mijn optiek ook moet) benaderen vinden velen bizar. Ja, cellen, het weer, de kosmos, het menselijk lichaam… daar kunnen we ons wetenschap bij voorstellen, maar bij politiek? Het blijft een lastig verhaal. Daar komt bij dat we, net als vele andere menswetenschappelijke discipline, weinig zichtbare toepassingen kennen; we zijn bij uitstek een fundamentele discipline gericht op het begrijpen en verklaren van zaken die verband houden met bestuur, macht en invloed.

Vandaar dat het FWO zo cruciaal is voor ons. De middelen voor fundamenteel sociaal-wetenschappelijk onderzoek zijn zeer schaars, maar echt nodig. Brengt het veel op? Is het nuttig? Toegegeven, het direct nut is eerder gering. Maar dat is ook niet het doel van fundamenteel onderzoek. Als we dat zoeken moeten we maar meteen alle maatschappelijke activiteiten die niet veel opbrengen (en wie bepaalt er wat ‘opbrengst’ is) flink aan banden leggen. Dat zijn er nogal wat. Bovendien, onafhankelijk, kritisch en fundamenteel onderzoek dat een beter inzicht geeft in ons politiek bestel draagt bij tot de zelfreflectie over onze democratie. En zeer belangrijk, het genereert ook de nodige kennis en inzichten ter ondersteuning van degelijk academisch onderwijs. Allemaal zaken die op lange termijn relevant zijn.

comments powered by Disqus