Jan Nuyts

Net de paasvakantie achter de rug – eindelijk nog eens twee weken rustig achter mijn bureau kunnen zitten om me ongestoord en met volle concentratie te buigen over een onderzoek dat me de laatste paar jaar heeft bezig gehouden, en om de laatste losse eindjes aaneen te knopen van de interpretatie van de complexe en verrassende data die eruit zijn voortgekomen. Nu ja, ‘ongestoord’ is relatief – het is ook de tijd waarin de talrijke BA- en MA-scriptiestudenten volop hun ontwerpen van hoofdstukken doorsturen voor feedback, liefst tegen gisteren; er zijn mijn doctorandi die coaching behoeven, vakantieperiode of niet; er zijn die twee artikelen voor internationale tijdschriften die op mijn anonieme beoordeling wachten, en waarvoor ik het rapport liefst voor de afgesproken deadline indien, alvorens de redactie (of, tegenwoordig, het volautomatische redactionele beheersysteem van het tijdschrift) mij begint te belagen met wekelijkse herinneringsmails; en zo zijn er nog wel wat kleinere en grotere kopzorgen om mee af te rekenen. Maar, ja, toch relatief ongestoord, want de universiteit zelf ‘slaapt’ even, en zo ben je ten minste vrij van de dagelijkse last van administratieve beslommeringen en colleges.

Ik ben linguïst. En dat is toeval. Linguïstiek behoort nl. tot die wetenschappelijke disciplines waarvan je als leerling in het middelbaar onderwijs meestal nog nooit gehoord hebt. Ik wist in ieder geval niet eens van het bestaan ervan, voor ik naar de universiteit ging. Op zich is dat vreemd, want zowat alle leerkrachten Nederlands of vreemde talen zijn in hun opleiding uitvoerig met de linguïstiek in aanraking gekomen. Maar het enige wat daarvan doorsijpelt in schoollessen is de klassieke, o zo saaie en schijnbaar nutteloze, zinsontleding – het kunnen benoemen van de onderdeeltjes van zinnen van de taal, zonder dat daar enige ratio aan gekoppeld is, en zonder dat daarbij op enige manier de vele fascinaties van het fenomeen taal op zich, als één van de meest complexe vormen van menselijk gedrag, aan bod komen.

Maar toch ben ik dan maar ‘Germaanse filologie’ gaan studeren – omdat mijn vader mij had ingefluisterd dat talenkennis een belangrijke troef is voor een goeie baan later. Eigenlijk lag mijn hart bij de wetenschappen, en vooral bij de biologie – “maar wat kan je daar later mee doen?”, dixit mijn vader. Het is dan ook geen wonder dat ik tijdens mijn universiteitsstudies mij al heel snel aangesproken voelde door de ‘hardere’ wetenschapstak die in de opleiding aan bod kwam – de linguïstiek is inderdaad een wetenschap die erg veel verwantschap vertoont met de biologie, i.t.t. die andere (in termen van studentenbelangstelling disproportioneel veel belangrijkere) component van de talenstudie, de literatuur- of, breder, cultuurwetenschap.

Vanaf dan werd het allemaal snel duidelijk: ik wilde absoluut mijn steentje bijdragen tot het exploreren en ontrafelen van die mysterieuze wereld van de menselijke cognitie, van die complexe systemen die op één of andere manier in onze hersenen ‘zitten’ en ons toelaten zeer gerafineerd sociaal gedrag (in dit geval: talige communicatie) te ontplooien, zonder hetwelke onze huidige gesofistikeerde samenleving niet mogelijk zou zijn. Die passie heeft mij nooit meer verlaten.

Heel hard werken (vaak werkdagen van 12 uur en meer, vaak 7 dagen per week, niet zelden zonder enige vakantie in lange periodes, en met opoffering van veel andere, vaak ook dierbare, dingen) heeft de weg gebaand naar de verwezenlijking van die droom. Nochtans is het zwaar worstelen geweest, en de motivatie heeft bij wijlen een zeer harde strijd moeten leveren met frustratie: ondanks uitstekende studieresultaten en al een stevig aantal publicaties pas bij de derde poging een aspirantschap van het FWO in de wacht gesleept (ook toen al was de competitie bikkelhard en de slaagkans relatief laag), en nadien 12 lange jaren als postdoc, deels als FWOer, deels op allerlei projecten (o.m. van het FWO) en verschillende buitenlandse beurzen, en zelfs met een half jaar werkeloosheid ertussenin. En met ettelijke ‘net-niet’-sollicitaties naar vaste academische jobs. Maar volharden heeft uiteindelijk geloond.

Het is pas nadat je met alle aspecten van het ZAP-leven kennis hebt gemaakt dat je beseft dat die pre- en postdoc jaren, ondanks de permanent knagende onzekerheid over de toekomst, toch ook een enorme luxe zijn voor een onderzoeker, want je hebt nauwelijks andere taken aan je hoofd en je kan je volledig wijden aan de wetenschap. En het is enkel dankzij die lange periode van academische ‘vrijheid’ dat ik jarenlang aan verschillende, deels zeer gereputeerde, buitenlandse instituten heb kunnen werken (de Universiteit van Amsterdam, de University of California at Berkeley, de Universität Heidelberg, het Max-Planck Institut für Psycholinguistik), en een academische (maar ook persoonlijke) ervaring heb kunnen opbouwen die me ontgaan was als ik ‘thuis was gebleven’. Als ZAP-lid zijn je vrijheden heel wat beperkter – en zeker in tijden van toenemende werkbelasting door sterk aangroeiende studentenaantallen en administratieve verantwoordelijkheden en inkrimpende personeelsomkadering blijft het knokken om voldoende tijd vrij te houden voor je onderzoek.

En daarom is zo’n (wat men noemt) ‘vakantie’periode altijd weer een weldaad – want (bijna) helemaal beschikbaar voor waar het je eigenlijk allemaal om te doen is: begrijpen hoe onze wondere wereld ineen zit.

comments powered by Disqus