Mathieu Vinken

Bron: © www.jerrydebrie.be

‘Zoals mensen doen in een samenleving, communiceren ook de cellen van ons lichaam met elkaar. Ze gebruiken daarvoor chemische signalen die verstuurd worden doorheen kanaaltjes. Soms loopt dat fout en dan ontstaat een probleem, hetgeen ingeval van cellulaire communicatie vaak een ziekte is’. Het is een verhaal dat ik recent bracht tijdens de prijsuitreiking van de Galenusprijs voor farmacologie en de afgelopen jaren talrijke keren heb verteld om ons onderzoek uit te leggen … en ik hoop dat nog zeer vaak te mogen doen in de toekomst!

Het begon allemaal in 2001. Ik studeerde toen af als apotheker aan de VUB en kon dankzij de steun van het FWO aan de slag als doctorale onderzoeker binnen het laboratorium voor in vitro toxicologie. Mijn project had de bedoeling om levercellen in cultuur langer in leven te houden om aldus een alternatief te kunnen bieden voor lange-termijns toxiciteitstesten die op dieren uitgevoerd worden. De focus lag daarbij op het instandhouden van communicatie tussen levercellen. Dergelijke communicatie wordt ondermeer bewerkstelligd door kanaaltjes die opgebouwd zijn uit connexine en pannexine eiwitten. Ik verdedigde mijn doctoraat in 2006 en kon daarna, terug ondersteund door het FWO, een postdoctoraal onderzoeksproject aanvatten binnen hetzelfde VUB laboratorium. In dat project werd de rol van cellulaire communicatie aan de hand van connexine en pannexine kanalen in leverceldood onderzocht in vitro. We konden in 2010 aantonen dat bepaalde van die kanaaltjes zich sluiten tijdens dit proces, terwijl andere kanaaltjes zich net open gaan stellen. De wetenschappelijke ‘output’ die dit met zich meebracht heeft er ondermeer toe geleid dat mij een ‘tenure track’ mandaat werd toegekend binnen de faculteit Geneeskunde en Farmacie van de VUB in 2011.

In 2012 werd ik gecontacteerd door een Braziliaanse onderzoeksgroep van de Universiteit van São Paulo. Zij waren geïnteresseerd om onze in vitro resultaten te staven in vivo. Een jaar later werd ik benoemd tot gastdocent aan de Universiteit van São Paulo, waarbij ik sinds 2013 verschillende weken per jaar in Brazilië doorbracht, en nog steeds doorbreng, voor onderwijsactiviteiten, maar vooral voor onderzoeksdoeleinden. Datzelfde jaar werd mij een ‘Starting Grant’ toegekend van de ‘European Research Council’ aan Belgische kant, alsook een ‘São Paulo Excellence Chair Grant’ van de ‘São Paulo Research Foundation’ aan Braziliaanse kant om na te gaan of cellulaire communicatie aan de hand van connexine en pannexine kanalen een rol speelt in leverziekte en aldus als farmacologisch doelwit kan aangewend worden. Door deze aanzienlijke internationale financiële ondersteuning, alsook mede door FWO financiering, kon ik in 2014 2 teams oprichten op 2 continenten, elk bestaande uit een aantal postdoctorale, doctorale en technische medewerkers. Om het werk zoveel mogelijk te stroomlijnen werden, en worden nog steeds, alle in vitro experimenten en mechanistische analyses in Brussel uitgevoerd, terwijl al het in vivo en klinisch werk in São Paulo verricht wordt. We konden in deze efficiënte internationale werkstructuur ondermeer aantonen dat het remmen van bepaalde connexine en pannexine kanalen een veelbelovende klinische therapie is voor de behandeling van acuut leverfalen, leverfibrose en leververvetting.  Dit leverde reeds een 30-tal gezamenlijke artikels in vooraanstaande tijdschriften op gebied van de hepatologie en toxicologie op, een 50-tal presentaties tijdens (inter)nationale en wereldcongressen alsook 3 Belgisch-Braziliaanse ‘joint PhDs’. Daarnaast mochten we reeds een 10-tal prijzen in ontvangst nemen in België en Brazilië, waaronder dus recent de Galenusprijs voor farmacologie uit handen van Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block.

So what’s next? Ons huidig en toekomstig onderzoek zal zich voornamelijk toeleggen op het verder bestuderen van het klinisch potentieel van connexine en pannexine kanalen op gebied van de hepatologie. Recent hebben we daartoe een aantal nieuwe projecten aangevat waarbij we specifiek aandacht besteden aan galzuuropstapeling in de lever en leverkanker. Daarmee gepaard startten we ook een interdisciplinair onderzoeksproject op ter ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen om connexine en pannexine kanalen te moduleren. Naast de therapeutische aspecten, bestuderen we sinds kort eveneens diagnostische toepassingsmogelijkheden van connexine en pannexine eiwitten als dusdanig. Dit alles zou moeten leiden tot verbeterde therapie en vroegtijdige diagnose van leverziekte, dewelke momenteel aan de basis ligt van de vijfde meest belangrijke doodsoorzaak wereldwijd.

Doorheen dit ambitieus onderzoek waren we, en blijven we, grotendeels afhankelijk van externe nationale en internationale financiële ondersteuning. Het is een heuse taak om dit als jonge onderzoeker te bewerkstelligen, te kanaliseren, en, vooral, te onderhouden. Aan Belgische zijde heb ik gelukkig steeds kunnen rekenen op het FWO. Ook recent weer werden 2 FWO projectvoorstellen die we voorbereid hadden gehonoreerd. Het FWO heeft dus tot nu toe een centrale en bepalende rol gespeeld in mijn ontwikkeling als vorser. Ik hoop mij nog veel te mogen beroepen op de onontbeerlijke steun van het FWO tijdens mijn verdere academische carrière.