Michel Vandenbroeck

De problematiek van kinderarmoede

Gedurende een twintigtal jaren heb ik bij VBJK vzw (Vernieuwing in Basisvoorzieningen voor Jonge Kinderen) projecten mee opgezet voor pedagogische vernieuwing in de kinderopvang, vooraleer de universiteit te vervoegen en een meer onderzoeksmatige fundering uit te bouwen. Gaandeweg zijn we er, met de medewerking van vele enthousiaste medewerkers in de kinderopvang zowel als in het beleid, in geslaagd deze sector van een louter hygiënische aanpak om te buigen naar een pedagogisch milieu. Geleidelijk kwam echter ook het besef dat het weinig zin had om steeds betere kinderopvang te maken voor steeds dezelfde kinderen en dat dus de sociale dimensie eveneens essentieel is (wie wordt in- en uitgesloten?). Naarmate ook die sociale functie van de kinderopvang een aandachtspunt werd, bleek steeds meer uit internationaal onderzoek dat ongelijkheid inderdaad vanaf de wieg geconstrueerd wordt. Maar ook dat de maatschappelijke voorzieningen hier een verantwoordelijkheid in hebben: niet alleen kinderopvang, maar ook de kleuterschool. De laatste jaren hebben we dan ook de mond vol over kleuterparticipatie: we maken ons (terecht) zorgen over die kinderen uit kansengroepen die minder vaak aanwezig zijn in de kleuterschool dan hun middenklasse leeftijdsgenoten. Maar tegelijk rijst ook de volgende, knagende vraag: waarom denken we dat – als ons onderwijs maatschappelijke ongelijkheid reproduceert – meer onderwijs de oplossing is? Kortom: wat weten we over (on)gelijke leerkansen bij de aanvang van de kleuterschool? Welk antwoord kunnen we bieden aan ouders die zich zorgen maken over de vraag of we hun kind niet alleen goed onderwijs bieden maar er ook goed voor zorgen? En merkwaardig genoeg moeten we vaststellen dat het bestaande wetenschappelijk onderzoek vooral gaat over het belang van de kleuterschool, over longitudinaal onderzoek, en over ouderlijke tekorten maar er weinig echt empirisch materiaal is over wat er nu feitelijk gebeurt met die jongste kleuters uit kansengroepen die instappen. Wat zijn hun dagelijkse ervaringen en leerkansen? En dus hoe krijgen (on)gelijke kansen vorm? Het was dus bijzonder welkom dat het FWO een oproep deed voor onderzoek naar kinderarmoede. En het is bijzonder vast te stellen dat we in dit onderzoek nu eens niet kijken naar wat ouders fout doen, maar wat we met onze maatschappelijke dienstverlening kunnen bereiken.

comments powered by Disqus