Sarah Verstraelen

Een nieuw avontuur met een rugzak vol ervaring

1 februari 2014: deadline voor de aanvraag van een postdoctoraal mandaat bij het FWO. Eén van de voorwaarden voor de toekenning van dergelijk mandaat, is dat de openbare verdediging van het doctoraat uiterlijk op 1 juni, het mandaat voorafgaand, dient plaats te vinden. In het meest optimale verloop moet je toch minstens drie maanden rekenen tussen het ogenblik dat het proefschrift wordt neergelegd bij de commissie, en de uiteindelijke openbare verdediging ervan. Hierdoor valt de deadline precies in de laatste cruciale weken van afronding van het proefschrift. Dergelijke vermenigvuldiging van stress kan je evenwel beter vermijden; een tijdige aanvang van de zoektocht naar een onderwerp voor het postdoctorale avontuur is een absolute aanrader!

Welke richting ik uit wilde, was al snel duidelijk. In 2010 startte ik als onderzoeker op een FWO-project over de werking in de tijd van rechterlijke beslissingen. Het is reeds lange tijd duidelijk dat de rechter meer doet dan enkel maar de wet toepassen. Met zijn actief optreden vormt hij mee het recht: hij creëert nieuwe rechtsregels, of, zoals het geval is bij het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, vernietigt hij bestaande regelgevende normen. Stel dat de rechter een nieuwe interpretatie van een rechtsregel volgt, zoals voorgesteld door de verzoeker, maar besluit deze pas toe te passen in latere zaken om zo de rechtszekerheid en legitieme verwachting niet te schaden. Of stel dat het Grondwettelijk Hof inderdaad oordeelt dat de bestreden wet ongrondwettig is, maar hij de gevolgen hiervan behoudt door een handhavingsmaatregel om zo al te verregaande financiële gevolgen te vermijden. Wat heb je er aan als de rechter je principieel gelijk geeft, zoals in de twee voorgaande situaties, maar je er als verzoekende partij zelf geen voordeel uit haalt?

Deze insteek is meteen ook de leidraad voor mijn postdoctoraal onderzoek betreffende de lacunes in de regelgeving. Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een norm strijdig is met het gelijkheidsbeginsel omdat een bepaalde categorie van personen uitgesloten wordt, leidt dit niet automatisch tot een uitbreiding van het toepassingsgebied. Nochtans zal dit vaak het streefdoel van de verzoekende partij zijn. Kan, of zelfs moet de rechter de betwiste norm toepassen op de uitgesloten categorie? Is een dergelijk verregaand actief optreden van de rechter legitiem verantwoord, en in hoeverre is een wetgevend optreden hier noodzakelijk? Met veel enthousiasme zal ik mij de komende drie jaren op deze vraagstukken toeleggen.

Zoals reeds gezegd, startte ik in september 2010 op een FWO-project. Het grote verschil met een FWO-mandaat (pre- of postdoctoraal), is dat bij een FWO-project de promotor het voorstel uitschrijft en aanvraagt, en dat nadien een onderzoeker op dit project wordt aangenomen. Deze onderzoeker heeft bijgevolg al iets tastbaar en concreet voorhanden bij aanvang van zijn werkzaamheden. Bij een FWO-mandaat daarentegen, is het de onderzoeker zelf die van in het begin het voorstel uitschrijft (uiteraard – doorgaans – met hulp van de promotor). Nu ik van beide trajecten heb kunnen proeven, moet ik vaststellen dat wat het inhoudelijke aspect betreft, het onderscheid tussen beide niet zwart-wit is, integendeel. Hoewel bij een FWO-project het onderzoeksvoorstel er reeds ligt, zal de onderzoeker evenzeer zijn eigen weg daarin moeten zoeken. Het lezen van een projectvoorstel van enkele pagina’s zal daartoe niet volstaan. Vooraleer hij het fundamentele onderzoek daadwerkelijk kan aanvatten, zal hij zich de problematiek moeten eigen maken door de bestaande literatuur te consulteren en de knelpunten te definiëren. Een onderdompeling in de thematiek is vereist, net zoals de mandaathouder dit deed bij het uitschrijven van het voorstel.

Bij het uitwerken van het FWO-project heb ik lange tijd gezocht naar de juiste richting en de gepaste afbakening van het onderzoek. Proefschriften van meer dan duizend pagina’s zijn niet meer van deze tijd; een goede inhoudstafel is een half doctoraat. Deze zoektocht zal bij de start van mijn postdoctoraal mandaat opnieuw een aanvang nemen. Het stelt me evenwel gerust en geeft me moed dat die zoektocht succesvol kan afgerond worden: na enkele jaren ligt er een proefschrift voor dat logisch en coherent in elkaar steekt, alsof het altijd zo had moeten zijn. Dat de verschillende versies van het proefschrift doorheen het hele traject vaak mijlenver gelegen zijn van het eindresultaat, laat dat maar een publiek geheim blijven. Het is een geruststelling te weten wat er komt. Die rugzak vol ervaring zal mij tijdens mijn postdoctoraal traject nog goed van pas komen.

comments powered by Disqus