Sophie Gryseels

Op zoek naar Ebola virus

“Ah, daar zijn ze al”, zei ik naar boven wijzend tegen mijn nieuwe Congolese en Amerikaanse collega’s. Het was beginnen schemeren, en een schijnbaar onophoudelijke vlucht grote vleermuizen vloog over het kamp voorbij.

Eidolon helvum, de palmvleerhond. Typisch.” zei een van de vleermuisspecialisten, die ondertussen zijn verrekijker had boven gehaald. Na drie dagen reizen door het hart van het equatoriaal regenwoud in het noorden van Congo, waren we eindelijk op de plaats aangekomen waar enkele weken eerder dátgene was gebeurd waarvoor de medische wereld zijn adem inhoudt: een nieuwe uitbraak van het lugubere Ebola virus.

Ebola virus epidemieën veroorzaakt door de stam “Zaïre” (er zijn nog een paar andere, minder gevaarlijke ebola’s) breken om de zoveel jaar uit in de equatoriale regenwoudzone van centraal Afrika, voornamelijk in de twee Congo landen, Gabon en Uganda. Meestal zijn er enkele tientallen gevallen, waarvan ongeveer de helft een gruwelijk dood sterft. Gewoonlijk blijft de verspreiding van het virus relatief beperkt door heldhaftige interventies van lokale en internationale gezondheidswerkers. Die kunnen in deze equatoriale regio op twee belangrijke troeven rekenen: ze weten dat hier een uitbraak verwacht mag worden en zijn er dus op voorbereid, en het dichte oerwoud biedt een fysieke isolatie die verplaatsingen van mogelijk besmette mensen overzichtelijk houdt. Geen van deze troeven was aanwezig toen in 2014 het Zaïre Ebola virus voor de eerste keer onverwacht uitbrak in West- Afrika. Vooraleer het virus geïdentificeerd was en medische interventieteams op poten waren gezet, was het virus al verspreid langsheen een uitgebreid wegennetwerk dat drie landen verbond. Pas 2,5 jaar en meer dan tienduizend besmettingen later was deze grootste Ebola epidemie ooit eindelijk uitgedoofd. Ondertussen heeft de rest van de wereld in lichte paniek doorgekregen dat zulk soort horror virussen niet eeuwig beperkt zullen blijven tot afgelegen dorpjes in het oerwoud. De menselijke populaties worden nu eenmaal steeds groter, en vooral steeds beter verbonden.

Zoals bij veel epidemische infectieziekten is de natuurlijke drager van het Ebola virus niet de mens, maar wel bepaalde wilde diersoorten. Een epidemie bij mensen ontstaat pas wanneer iemand in aanraking komt met een besmet dier. Als we dus weten welke diersoort(en) de échte natuurlijke gastheren zijn, en we kennen de verspreidingsgebied(en) van die soorten, dan hebben we een goede basis om in te schatten waar we nieuwe epidemieën van zulke virussen kunnen verwachten. Gezondheidswerkers in het risicogebied kunnen zich optimaal voorbereiden en actieplannen opstellen, en hebben zo een veel grotere slaagkans om de epidemie in de kiem te smoren.

Alles begint dus met de identificatie van de gastheersoorten. Wanneer we deze niet kennen, kunnen we enkel ruwe geografische extrapolaties maken op basis van eerdere epidemieën bij mensen. Bij zeldzame epidemieën, zoals die van Ebola, is dit veel te vaag en leidt het vaak tot een onderschatting van de grootte van het risicogebied. Net omdat de natuurlijke gastheren van het Ebola virus nog altijd niet gekend zijn, had men er gewoon nog niet bij stil gestaan dat het ook zou kunnen opduiken in westelijk Afrika, met alle gevolgen van dien.

Niet dat men nooit heeft gezocht naar die natuurlijke gastheren: er zijn al duizenden wild-gevangen zoogdieren getest op het Ebola virus. Slechts in één studie vond men met 100% zekerheid sporen van de gevaarlijk Zaïre stam, in een aantal exemplaren van drie soorten grote vleermuizen, “vleerhonden” in het Nederlands1. Het is dus echt zoeken naar een naald in een enorme hooiberg, of beter, een naald in een enorm oerwoud. Vleerhondsoorten zouden inderdaad wel de beste kandidaten zijn – ook verwante virussen aan Ebola zijn al in deze dieren gevonden, zelfs in Euraziatische soorten in Spanje2 en China3. We weten echter nog niet of die drie vleerhondsoorten uit de bewuste studie eerder toevallig besmet waren, en of er nog andere diersoorten belangrijke gastheren van het Zaïre Ebola virus kunnen zijn. Meer zoektochten zijn dan ook noodzakelijk.

Toen het Zaïre Ebola virus een paar maanden geleden, na bijna 3 jaar radiostilte, opnieuw uitbrak, besefte een consortium van specialisten uit Kisangani (Centre de Surveillance de la Biodiversité), Kinshasa (Institut National de Recherche Biomedicale), Berlijn (Robert Koch Institut), Montana (NIH/NIAID), Montpellier (Institut de Recherche pour le Dévelopment), Brussel (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) en de Universiteit Antwerpen, dat nú het moment was om opnieuw het veld in te gaan en te zoeken naar Ebola virus in wilde dieren. Het moest nu toch nog ten minste ergens in de buurt van die menselijke epidemie aanwezig zijn. Toen na een maand alle vergunningen in orde waren, belde mijn oude doctoraatspromotor, Herwig Leirs (UAntwerpen) me op. Of ik mee wou op Ebola expeditie in Congo, en of ik volgende week kon vertrekken. Uit België. Dus ja, of ik overmorgen kon vertrekken uit de VS?

Blijkbaar verbaast dit sommige mensen, maar ik hoef niet lang te twijfelen voor zo’n aanbod. Voor mij is een jungle expeditie naar de moeder-van-alle virussen één van de coolste dingen die je als bioloog kan doen. Gelukkig twijfelden mijn nieuwe postdoc promotors ook niet; ik was immers ondertussen aan het werken als FWO postdoc op de evolutie van het AIDS virus aan de Universiteit van Arizona en KU Leuven. Zeldzame kansen op belangrijke wetenschap mag je niet laten liggen voor het eventuele risico op een tijdelijk verminderde publicatie-output: daarover was iedereen het eens.

Ik prijs me ook zeer gelukkig met mijn [PEGASUS]² Marie Skłodowska-Curie mandaat van het FWO, die de vrijheid geeft aan zijn onderzoekers om zulk soort urgentie-studies aan te gaan. Door die vrijheid te bieden, bereikt FWO volgens mij een belangrijk doel voor zijn postdoc onderzoekers: de ontplooiing tot een zelfstandige wetenschapper die het doorzettingsvermogen, de skills en het ondersteunend netwerk heeft om de belangrijke vragen van de natuur aan te pakken.

Uiteindelijk gingen we met 22 personen uit drie verschillende landen het veldterrein op. De lokale bevolking hielp ons bij het vinden van de grote kolonie palmvleerhonden die we ’s avonds zagen overvliegen. Men vertelde ons dat ze jaarlijks samentroepen enkele kilometers verderop, en dat ze ook een plaatselijke delicatesse vormen… Niet moeilijk om in te beelden hoe deze mensen, wiens leven tuin-van-eden-gewijs volledig draait rond alles wat het bos hen biedt, besmet zouden kunnen geraken met een vleermuis-virus.

We splitsten ons op in vier groepen: een groep die netten uitzette om vleermuizen te vangen, een groep die vallen zette voor kleine terrestrische zoogdieren zoals knaagdieren, een groep die uitwendige stalen nam van de buit van lokale jagers, en een groep die de stalen nam van de gevangen dieren, alles onder de hoogste bioveiligheidscondities. Na drie weken werden we afgelost door een volgend veldteam. Ondertussen had onze collega van het Instituut voor Tropische Geneeskunde snelle Ebola-detectie testen opgesteld in het Nationaal Biomedisch Onderzoeksinstituut in Kinshasa, zodat we snel het tweede veldteam konden informeren met de eerste gegevens uit het lab.

Gemakkelijk was het uiteraard allemaal niet. Er waren 27 motors nodig om alle veldwerkers en materiaal langs modderige bospaadjes op, eerste de foute, en dan de juiste locatie te krijgen. Om te zorgen dat de dieren die we bemonsterden ons zelf niet zouden kunnen besmetten, droegen we verschillende lagen beschermende kledij: niet de aangenaamste tropen-outfit.

Ongelooflijk fantastisch geweldig was het wel. Getuige mogen zijn van de enorme natuurlijke rijkdom van het equatoriaal regenwoud, en de mensen ontmoeten voor wie dat hun thuis is, is ontzagwekkend. Ik heb ook ontzettend veel geweldige virus- en zoogdierexperts leren kennen: een heel kostbaar netwerk.

In de eerste snelle labo-onderzoeken hebben we jammer genoeg nog geen Ebola virus gevonden, maar het grootste deel van de labo-tests zijn nog steeds bezig; we verwachten in de komende maanden de definitieve resultaten. We houden er voorlopig dus nog de hoop in dat we een stapje dichter zullen komen in het karakteriseren van het leefgebied van het Ebola virus.

Sophie Gryseels

 

 

1. Leroy, E. M. et al. Fruit bats as reservoirs of Ebola virus. Nature438, 575-576 (2005).

2. Negredo, A. et al. Discovery of an ebolavirus-like filovirus in Europe. PLoS Pathog7, e1002304 (2011).

3. He, B. et al. Filovirus RNA in fruit bats, China. Emerg Infect Dis21, 1675 (2015).

comments powered by Disqus