Violet Soen

Een (anonieme) wilde weldoener als werkgever

Toen ik de universitaire opleiding geschiedenis startte, deed ik dat nooit met de idee om onderzoeker of professor te worden: reisleiding, oorlogsjournalistiek en zelfs beleidsfuncties leken me gewoonweg veel spannender op achttienjarige leeftijd. With the benefit of hindsight is onderzoek toch mijn weg gebleken: de universiteit is een vrijhaven voor nadenken en schrijven, doceren en leren. En geschiedenis is nu eenmaal een uiterst boeiende discipline: historisch onderzoek gaat radicaal in tegen de waan van de dag, door telkens opnieuw aan te tonen dat het verleden anders was. Op het pad van student tot professor werd het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek uiteindelijk een trouwe metgezel. Of misschien juister geformuleerd, op dat pad beschouw ik het FWO als de ‘anonieme’ wilde weldoener die ik pas geleidelijk aan beter leerde kennen.

Zoals bij vele anderen, raadde mijn promotor me na het behalen van de licentiaatstitel aan om mee te dingen naar een aspirantschap bij het FWO. Ik herinner me dat ik ‘aspirant’ toen zo gek vond klinken – aspireren vond ik maar iets halfslachtig (en dat wilde ik toch helemaal niet!). En de Egmontstraat 5 werd pas concreet toen ik (met velen anderen) het beursdossier er op de bus deed (je zou er wat nostalgisch van worden in tijden van e-loketten). Dat gebouw achter het Koninklijk Paleis, en midden tussen de Europese beslissingscentra maakte indruk op me: blijkbaar lagen politiek en wetenschap letterlijk en figuurlijk dicht bijeen. Enkele maanden later kwam het verlossende nieuws dat ik één van de beurzen had weten te bemachtigen. De omschrijving ‘aspirant’ ben ik evenwel steeds als geuzennaam blijven gebruiken.

Tijdens de daaropvolgende jaren bleef ik het FWO beschouwen als mijn onmiddellijke werk- (of beter opdracht)gever. Ik voelde me gezegend om van mijn promotor alle vrijheid te krijgen om het oorspronkelijke opzet aan te passen aan nieuwe onderzoeksresultaten. Bovendien bleek het FWO ook gul wanneer ik voor mijn onderzoek weer eens naar Spaanse of andere buitenlandse archieven moest. Maar toch bleef mijn werkgever oorspronkelijk veel weghebben van een ‘anonieme’ wilde weldoener: bij het FWO moest je nooit even langs, de activiteitenverslagen werden per brief afgehaspeld, en de e-mailadressen bleven anoniem (ik vraag me soms nog altijd af: wie is CULT, en wie de dossierbeheerder?). Doorgaans waren de collega’s op de universiteit het eerste aanspreekpunt.

Dat veranderde eensklaps toen FWO een oproep lanceerde om enkele van haar stipendiaten te laten deelnemen aan het European Science Open Forum (ESOF) in Turijn. Ondertussen was ik reeds postdoctoraal onderzoeker: na een onvergetelijk postdocjaar aan het European University Institute in Firenze, was ik teruggekeerd naar de FWO-stal. De kandidaatstelling gebeurde via een ludieke ‘vertaling’ van het lopende onderzoek: ik maakte een digitale rondleiding op RouteYou in de stad van wetenschap én magie. Plots kreeg ik een ander beeld: het FWO selecteerde niet louter nog op onderzoekskwaliteiten, maar ook op wetenschapscommunicatie. Plots bevond ik me op een bus met andere jonge enthousiaste onderzoekers richting Turijn, en zond dr.ir. Elisabeth Monard als secretaris-generaal van het FWO ons met wijze woorden op weg. Weg anonimiteit, weg formaliteit: de wilde weldoener kreeg vele gezichten, zowel van FWO-stafleden, als andere aspiranten en postdocs!

Als professor is dat laatste gevoel nooit meer weggegaan: het FWO is een vaste waarde, naast de universiteit als concreet ankerpunt. Van mobiliteitsbeurzen tot congrestoelagen, van onderzoeksprojecten tot aspirantenbeurzen: de samenwerking gaat door. Mezelf had ik alvast toegewenst dat ik als prille aspirant meteen het FWO beter had leren kennen. 

 

 

comments powered by Disqus