FWO-postdocs Caroline Masquillier en Joris Vandendriessche bij nieuwe leden van de Jonge Academie

Wat was voor jou de belangrijkste reden om je kandidaat te stellen als nieuw lid van de Jonge Academie? 

Caroline: “Mijn academische ervaring hebben me doen inzien dat onze wetenschappelijke bevindingen vaak enkel een beperkte groep collega-onderzoekers bereiken. Hoewel ons onderzoek veelal belangrijke maatschappelijke thema’s betreft, bereikt het minder het brede publiek. Ik ben er echter van overtuigd dat er voor ons als academici ook een belangrijke taak is weggelegd om dit brede publiek te informeren, te inspireren, te stimuleren, kritisch na te denken en waar mogelijk te engageren voor wetenschappelijke en maatschappelijke thema’s. Vanuit deze achtergrond heb ik me kandidaat gesteld voor de Jonge Academie. Samen met andere wetenschappers van verschillende disciplines en universiteiten samenwerken rond dit thema was de belangrijkste reden om me kandidaat te stellen.” 

"Ik ben er echter van overtuigd dat er voor ons als academici ook een belangrijke taak is weggelegd om dit brede publiek te informeren, te inspireren, te stimuleren, kritisch na te denken en waar mogelijk te engageren voor wetenschappelijke en maatschappelijke thema’s."

 

Joris: “In de eerste plaats wilde ik graag bijdragen aan het project waar de Jonge Academie voor staat. De voorbije jaren heeft zij sterk gewogen op het (publieke) debat over het wetenschappelijke bedrijf. Thema’s als gender en wetenschap, burgerparticipatie in het wetenschappelijk onderzoek en de relatie tussen politiek en wetenschap staan nu duidelijk op de agenda. Tegelijkertijd sluiten die thema’s ook nauw aan bij mijn eigen historisch onderzoek. Als wetenschaps- en medisch historicus ben ik geïnteresseerd in de cultuur van wetenschap in het verleden: wie had toegang tot (medische) kennis? Hoe gingen wetenschappers met elkaar en met elkaars werk om? In de Jonge Academie hoop ik vanuit mijn historisch werk ook te kunnen bijdragen aan een reflectie op wetenschap vandaag, zeker rond thema’s als publicatiecultuur en onderzoeksethiek, die me erg interesseren.” 

Met wat worstel je als jonge onderzoeker het meeste?  

Caroline: “Door ons financieringssysteem, vind ik het jammer dat we minder mogelijkheden hebben om op lange termijn grote, ambitieuze projecten op te zetten. Doordat de financiering vaak slechts voor enkele jaren is, dienen we vaak in het midden van een vorig project reeds nieuwe financiering aan te vragen om te kunnen verder werken. Dit belet in mijn ogen soms het ontwikkelen van meer ambitieuze en vernieuwende projecten op de langere termijn.” 

Joris: “Ik worstel uiteraard met heel wat dingen. De sterke publicatie- en aanvraagdruk binnen de wetenschappelijke wereld is er daar één van. Die is uiteraard niet uniek voor jonge onderzoekers (alle wetenschappers krijgen er mee te maken), maar voor hen hangt er wel meer van af. Wie in een tijdelijk statuut werkt, zoals ik als postdoc bij het FWO, is voor een toekomstige job afhankelijk van nieuwe projectaanvragen, gebaseerd op een stevig publicatiedossier. Ik ervaar zelf sterk dat die academische competitie en de daarmee gepaard gaande onzekerheid begint te wegen, ook al biedt het onderzoek zelf tegelijkertijd veel voldoening. Het maakt het carrièrepad van jonge onderzoekers soms grillig (en weinig stabiel).” 

De Jonge Academie schenkt veel aandacht aan de thema’s ‘gender’ en ‘diversiteit’. Waarom is dit in 2020 nog steeds belangrijk? 

Caroline: “Een goede balans in de genderverhouding op alle academische niveaus en een divers onderzoeksteam vormen mijns inziens een grote inspiratiebron, meer diversiteit kan alleen maar meer inzicht stimuleren. Verder kunnen meer vrouwelijke rolmodellen hopelijk jonge meisjes stimuleren om ook een wetenschappelijke carrière te ambiëren. Er zijn zeker al stappen gezet in de goede richting, maar dit alles kan nog sterk verbeteren.” 

Joris: “Die aandacht is belangrijk omdat anno 2020 culturele stereotypen over man- en vrouw-zijn nog steeds (onbewust) mee het beeld bepalen van wie wetenschapper is en kan worden. In aanbevelingsbrieven bijvoorbeeld worden vrouwen sneller aangeduid met termen als ‘hardwerkend’ of ‘toegewijd’ terwijl de kenmerken ‘briljant’ of ‘ambitieus’ (die met wetenschappers worden geassocieerd) meer worden toegeschreven aan mannelijke kandidaten. Deze impliciete vooroordelen spelen wel degelijk een rol in selectieprocedures. Het is net die dynamiek die de Jonge Academie heeft willen aankaarten met haar campagne “Wetenschap = mvx” door een meer divers beeld van wetenschappers op te hangen, dat die stereotypen kan doorbreken. En dat is nodig want het genderonevenwicht binnen het Vlaamse professorenkorps is nog steeds groot: slechts 26% van de Vlaamse professoren is vrouw.”

Hoe belangrijk is wetenschapscommunicatie en op welke manier probeer jij hieraan bij te dragen? 

Caroline: “De stem uitdragen van zij die nauwelijks gehoord worden, is één van mijn drijfveren voor mijn academische carrière omtrent gezondheidsthema’s bij sociaal kwetsbare groepen. Mijn universitaire ervaring hebben me er echter van overtuigd dat de stem van de mensen achter die wetenschappelijke resultaten verder moet reiken dan louter het academische publiek.

Naast mijn onderzoek, ben ik gepassioneerd door creatieve wetenschapscommunicatie. Ik dit kader heb ik het project ‘Field’ opgestart (Instagram en Vimeo). ‘Field’ is een platform voor creatieve wetenschapscommunicatie, dat onderzoekers van alle disciplines wil helpen om hun resultaten te verspreiden op een begeesterende en toegankelijke manier.

In dit kader ben ik bijvoorbeeld momenteel een bijlage bij De Standaard aan het voorbereiden over de verschillende Citizen Science onderzoeksprojecten aan de Universiteit Antwerpen. Tevens heb ik een ‘explainer video’ voor het Horizon2020 project SCUBY – over diabetes- en hypertensiezorg – gemaakt. Wat betreft mijn eigen onderzoek, maakte ik reeds een fototentoonstelling over mijn onderzoek in Oeganda, die afgelopen jaar en dit jaar door Antwerpen zal reizen in samenwerking met 11.11.11. Tenslotte finaliseer ik momenteel een documentaire over mijn HIV-onderzoek in Zuid-Afrika, die op 31.3.2020 in première zal gaan in zaal De Roma te Antwerpen.

Voor ‘Field’ ontving ik drie awards: in 2017 de ‘Vocatio prijs’ van de Vocatio Stichting; in 2018 een ‘Jaarprijs Wetenschapscommunicatie van de KVAB’; en in 2019 de ‘Wetenschapscommunicatieprijs Gust Bouwen’ van de Universiteit Antwerpen. Op verschillende internationale congressen organiseerde ik sessies, waarbij multimedia aandacht kreeg als onderzoeksmethode maar ook als communicatiemiddel. Verder sprak ik op verscheidene events over mijn ervaring met wetenschapscommunicatie, waaronder ‘PRESS-SPEAK-INSPIRE’, ‘Let’s talk science’ 2019 en de ‘Scivil Netwerk dag’ 2019.” 

Joris: “Zelf vind ik erg belangrijk dat het publiek goed geïnformeerd wordt over wetenschappelijk onderzoek. Immers, zij financiert het in overgrote mate en heeft dus ook het recht op informatie over het gebruik van die middelen. Net daarom is zo belangrijk om naast gespecialiseerde boeken en artikels ook via andere kanalen te communiceren: blogs, populaire tijdschriftartikels, publiekslezingen en (radio-)interviews. Op Radio 2 heb ik bijvoorbeeld eens uitgelegd hoe het komt dat het Leuvense Sint-Pietersziekenhuis decennia lang heeft leeggestaan: in mijn ogen een erfenis van de taalstrijd van de jaren 60 én de besparingspolitiek in de zorgsector die erop volgde. Dat was een fijne ervaring. Een tweede element – en in feite ook een reden waarom ik voor de Jonge Academie kandideerde – is dat wetenschapscommunicatie ook een middel kan zijn om vertrouwen op te bouwen tussen wetenschappers en het publiek. Niet alleen de successen verdienen publieke aandacht, maar ook de werking van wetenschap, als het product van debat en interactie. Dat verloopt soms traag, soms worden fouten gemaakt, maar in het algemeen is het resultaat wel zekere kennis. Dat is een verhaal dat meer aandacht verdient.” 

"Niet alleen de successen verdienen publieke aandacht, maar ook de werking van wetenschap, als het product van debat en interactie. Dat verloopt soms traag, soms worden fouten gemaakt, maar in het algemeen is het resultaat wel zekere kennis. Dat is een verhaal dat meer aandacht verdient."

 

Waar zie je jezelf binnen 10 jaar?

Caroline: “Ik hoop binnen 10 jaar nog steeds via mijn onderzoek een bijdrage te kunnen leveren aan het stimuleren van betere zorg voor sociaal kwetsbare groepen. Verder hoop ik dat ik nog vele mooie en innovatieve creatieve wetenschapscommunicatieprojecten heb kunnen verwezenlijken.”

Joris: “Het veld van de wetenschaps- en medische geschiedenis is in Vlaanderen, in tegenstelling tot in onze buurlanden, weinig uitgebouwd en geïnstitutionaliseerd. En dat terwijl een historische en ruimer een geesteswetenschappelijke blik op ons medisch verleden en wetenschappelijk erfgoed heel wat potentieel heeft om de actuele (ethische) vraagstukken en wetenschappelijke standaarden in perspectief te plaatsen. Nieuwe velden als health humanities en medical humanities bieden bovendien mogelijkheden tot interdisciplinaire samenwerking. In de ontwikkeling van die terreinen zou ik de komende jaren heel graag een rol spelen.”