17 april: Internationale Dag van de Boerenstrijd

25 jaar geleden, op 17 april 1996, werden 19 leden van de beweging van landloze boeren (MST) ongestraft doodgeschoten door militaire politie van de staat Pará, Brazilië. Deze gebeurtenis zond een schokgolf doorheen de wereld en veroorzaakte enorme verbolgenheid, vooral in plattelandsgemeenschappen. La Via Campesina (LVC), een internationale beweging die opkomt voor de rechten van boeren en inheemse gemeenschappen, reageerde met solidariteitsacties en de eis voor gerechtigheid; de echo van deze acties verspreidde zich tot buiten Brazilië en Latijns-Amerika, en 17 april werd uitgeroepen tot “International Day of Peasant Struggles”: internationale dag van de boerenstrijd. Om deze strijd anno 2021 beter te begrijpen, ga ik kort in op de voornaamste conflicten die plaatsvinden in de territoria van kleinschalige boeren en inheemse bevolkingsgroepen. Door de reële consequenties van deze conflicten te kaderen in een theoretische discussie hoop ik de lezer duidelijk te maken waarom deze dag zo belangrijk is voor inheemse gemeenschappen en boerenbewegingen over de hele wereld.

Landbouw en conflict in plattelandsgebieden

Samenlevingen over de hele wereld verstedelijken aan een gestaag tempo, de VN voorspelt dat tegen 2050 68% van de wereldbevolking in stedelijke gebieden zal wonen. Deze trend heeft ingrijpende gevolgen voor onze voedselproductie en -consumptie. Naarmate meer mensen het platteland verlaten, is er minder arbeid beschikbaar om gewassen te verbouwen, waardoor sommige agronomen tot de conclusie komen dat intensivering (de toename van de landbouwproductiviteit) cruciaal is om de groeiende wereldbevolking te voeden. De toepassing van chemische pesticiden en kunstmest, zo stellen ze, in combinatie met zware machines, speelt een belangrijke rol bij het bestrijden van armoede en voedselvoorzieningsproblemen over de hele wereld.

Dit verhaal, hoewel verleidelijk, heeft verschillende tekortkomingen. Ten eerste lijkt het geen vraagtekens te zetten bij de motieven van mensen die plattelandsgebieden verlaten en naar stedelijke centra migreren. Het is zeker zo dat de economische factor een constante is, veel mensen verhuizen ontegensprekelijk naar de stad omdat ze daar meer kansen zien. Men moet zich dan afvragen waarom bepaalde plattelandsgebieden niet meer zo "leefbaar" zijn als ze ooit waren? Het antwoord is nogal onthullend: de verspreiding van industriële landbouw, belichaamd (onder andere) door grootschalige investeringsgroepen en de concentratie van spelers op de input-markt, heeft diepgaande gevolgen voor het economische, sociale en culturele weefsel van plattelandsgebieden. De gestegen wereldwijde graanprijzen hebben de interesse in de teelt van soja en maïs in Latijns-Amerika aangewakkerd, wat geleid heeft tot een snelle stijging van de grondprijzen. Omdat veel boeren en inheemse gemeenschappen de huur niet kunnen bijhouden, worden ze van hun land verdreven en moeten ze naar de steden migreren. In sommige gevallen hebben de gemeenschappen die wel toegang hebben tot land geen juridische documenten om aan te tonen dat het land van hen is (hoewel ze het al generaties lang bewonen). De strijd om land wordt hier al duidelijk: industriële landbouw creëert economische tendensen die bepaalde gemeenschappen van het land verdrijven en hen dwingen te migreren.

Dit conflict is echter niet alleen economisch. De impact van de wijdverbreide toepassing van pesticiden heeft een drastische impact op omliggende ecosystemen. Gezinnen die gebruik maken van eeuwenoude landbouwtechnieken zien de vruchtbaarheid van hun land afnemen naarmate de grond uitgeput raakt door de uitgebreide toepassing van chemische meststoffen (leidend tot verdichting, verzilting, sterilisatie en erosie) en naarmate boven- en ondergrondse functionele biodiversiteit vermindert door de toepassing van chemische pesticides. Ontbossing en vernietiging van belangrijke natuurgebieden zijn reële consequenties van de uitbreiding van het industriële landbouwmodel. Sommige agronomen hebben, geïnspireerd door de wetten van de fysica, het concept “entropie” op de landbouw toegepast om aan te tonen dat het industriële model uiteindelijk zijn eigen natuurlijke fundamenten vernietigt en dus een onhoudbare situatie creëert. Anderen toonden een achteruitgang op lange termijn aan in de oogst onder conventioneel beheer op basis van chemische meststoffen. Boeren en inheemse gemeenschappen stellen een nieuw landbouwmodel voor, genaamd agro-ecologie. Gebaseerd op lokale landbouwpraktijken en –kennis, het gebruik van zo weinig mogelijk chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest en principes van radicale democratie, houdt agro-ecologie niet alleen rekening met de mens in de natuur, maar ook met de mens als natuur. Belangrijk om hier op te merken is dat technologie niet inherent als slecht wordt gezien (wat vaak wordt betoogd door critici), maar moet worden toegepast om ervoor te zorgen dat het geen breuk veroorzaakt in de balans met omringende ecosystemen. Sommige studies hebben zelfs aangetoond dat agro-ecologische landbouwsystemen beter bestand zijn tegen bepaalde manifestaties van klimaatverandering zoals droogte, orkanen en temperatuurveranderingen dan conventionele landbouwsystemen.

Een tweede tekortkoming van dit verhaal is dat het lijkt te suggereren dat we het industriële model nodig hebben om "de wereld te voeden" omdat het inherent productiever zou zijn dan de kleinschalige, familiale landbouw. Niet alleen spreken de cijfers dit tegen, maar het industriële landbouwmodel heeft in feite zelfs vaak tot voedseltekorten geleid. In Brazilië bijvoorbeeld hebben familiale boeren slechts 24,3% van de landbouwgrond in handen, hoewel ze 84,4% van alle boerderijen uitmaken en drie keer zoveel mensen in dienst hebben als de agro-industrie. Op het kwart van het bouwland dat ze bewerken, genereren ze 40% van alle landbouwwaarde. 50% van de wereldbevolking bestaat uit boeren en ze verbouwen minstens 70% van het wereldvoedsel. Dit is vrij eenvoudig te verklaren: veel van het land dat door de agro-industrie wordt gebruikt, wordt (zoals hierboven vermeld) gebruikt voor de productie van granen voor export. De producten die in Argentinië en Brazilië worden verbouwd, worden voornamelijk gebruikt om vee in Europa te voeren of om ethanol voor auto's te produceren. Ze voeden daarentegen niet echt de wereldbevolking. Daarom wordt met name de soja-industrie in Argentinië beschouwd als een extractivistische industrie.

De strijd tegen het extractivisme in Argentinië

"Extractivisme" wordt vaak gedefinieerd als een accumulatiemodel dat is gebaseerd op: i) de omzetting van gemeenschappelijke goederen in "waren" of “commodities”; ii) de intensieve exploitatie van grote hoeveelheden natuurlijke hulpbronnen in een versneld tempo dat onverenigbaar is met de tijd die de natuur nodig heeft om te herstellen; iii) de schaarste aan lokale/regionale (industriële) verwerking van de gewonnen goederen; en iv) de export van primaire materialen om de industrie en/of consumptie van economisch “centrale” landen te voeden, waarbij buitengewone opbrengsten worden gegenereerd die worden binnengehaald door externe agenten.

De soja-industrie voldoet aan al deze kenmerken, en de effecten zijn vooral duidelijk in de “United Republic of Soy” (een regio met uitgebreide sojamonoculturen in Argentinië, Brazilië, Bolivia, Uruguay en Paraguay), wat sommige auteurs er toe leidt deze regio te omschrijven als het “zwarte gat van de biodiversiteit”. De industriële teelt van soja heeft niet enkel geleid tot de vernietiging van ecosystemen, het heeft ook geleid tot vergiftiging door agrotoxinen, verdrijving van boeren en inheemse gemeenschappen, landconcentratie en verlies van lokale productie. Deze situaties zorgen voor een migratiestroom naar de steden, die de arbeidsmarkt in deze steden (met name in grote stedelijke centra zoals Buenos Aires, Rosario of Córdoba) niet kan absorberen. Recente projecties schatten het percentage Argentijnen dat onder de armoedegrens leeft op 42%.

Deze gevolgen hebben geleid tot de opkomst van verschillende sociale bewegingen doorheen Argentinië die zich verzetten tegen de uitbreiding van het industriële landbouwmodel en toegang tot land eisen voor boeren en inheemse gemeenschappen. Deze bewegingen organiseren verschillende opmerkelijke acties. Zo biedt de Vakbond van Landarbeiders (UTT) in stadscentra producten aan tegen zeer lage prijzen (de zogenaamde "verdurazos") en oefent ze druk uit op wetgevers om een wetsvoorstel aan te nemen dat de toegang tot land voor kleinschalige boeren kan faciliteren. De Boerenbeweging van Santiago del Estero (MOCASE) heeft samen met de Nationale Beweging van Inheemse Boeren (MNCI) haar eigen "boerenuniversiteit" opgericht. En de Beweging van Uitgesloten Arbeiders (MTE) organiseert agro-ecologische trainingsprogramma's.

In mijn onderzoek zal ik nauw samenwerken met deze boeren- en inheemse bewegingen om hun strijd beter te begrijpen. Op deze dag herinneren we niet enkel de gebeurtenis van 25 jaar geleden in Brazilië, maar vooral de uitdagingen waar kleinschalige boeren en inheemse gemeenschappen nog steeds mee geconfronteerd worden. Deze “Internationale dag van de boerenstrijd” is dan ook voor hen, en voor al diegenen die zich verzetten tegen de uitbreiding van industriële landbouw op hun grondgebied.