Kevin Ariën

Hoe besmettelijke ziekten onder controle houden in een geglobaliseerde wereld?

Outbreaks van besmettelijke ziekten zijn van alle tijden. Dit jaar is het net 100 jaar geleden dat de Spaanse griep zo hevig om zich heen greep. Met een geschatte dodentol van 50-100 miljoen mensen is dit de grootste griepepidemie in het recente collectieve geheugen, maar ook oude geschriften maken gewag van epidemieën van infectieziekten zoals gele koorts, tyfus en malaria.

De socio-economische omstandigheden vandaag zijn drastisch veranderd vergeleken met 1918. De wereldbevolking is vele malen groter, mensen ontvluchten het platteland en wonen nu dichter op elkaar in steden. Om al die monden te voeden, grijpen we ook steeds harder in op onze leefomgeving. We verstoren natuurlijke biotopen waar dier en pathogeen samenleven. Landbouw neemt de plaats in van hun natuurlijke leefomgeving. Als gevolg neemt de blootstelling aan nieuwe ziekteverwekkers sterk toe. We verplaatsen ons aan een tempo dat – zelfs maar enkele decennia geleden - totaal ondenkbaar was. Alleen al tussen de VS en China zijn er 60 commerciële vluchten per dag, goed voor de reizen van minstens 30.000 mensen. Denk maar aan de mogelijke gevolgen wanneer een reiziger uit China met een nieuwe variant van het griepvirus op zo een vliegtuig stapt.

Ook de geneeskunde evolueert aan een ijltempo, maar we zijn onvoldoende gewapend in de strijd tegen virussen en resistente micro-organismen. Ook onze detectiemethoden zijn beter - in 1918 wist men zelfs nog niet dat de Spaanse griep door een virus werd veroorzaakt. Recente evoluties in snelle diagnostische methodes die dicht bij de patiënt gebruikt kunnen worden en snelle genoomanalyses zijn erg belangrijk. Een epidemie detecteren en controleren staat of valt met goede detectiemethodes. Voor gekende virussen zoals griep, SARS en MERS, ebola, hiv, zika en dengue – om er enkele te noemen – hebben we testen ter beschikking, maar dat geldt uiteraard niet voor nieuwe virussen die voor het eerst opduiken in de mens. Hoewel we vandaag wel snel een nieuwe ziektemaker kunnen identificeren met technieken om het genoom te sekweneren, duurt het doorgaans verschillende maanden vooraleer symptomen herkend worden of in verband gebracht worden met een mogelijke nieuwe pathogeen. Dat was het geval bij zika, dat al ruim een jaar onopgemerkt circuleerde in Zuid-Amerika alvorens klinisch herkend te worden. Ook het ebolavirus waarde al verschillende maanden rond in West-Afrika (eind 2013, begin 2014) zonder herkend te worden en groeide uit tot de grootste ebola-epidemie ooit. Een goede surveillance in hotspots voor uitbraken is dus van groot belang.

De ebola-uitbraak in West-Afrika heeft heel wat bedrijven, nationale en internationale organisaties aangezet tot het ontwikkelen van nieuwe diagnostische testen, therapieën en vaccins. De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) lanceerden speciale programma’s voor het gebruik van diagnostische testen onder de uitzonderlijke omstandigheden van een internationale noodtoestand. Vandaag, twee jaar en drie ebola-uitbraken later, blijven slechts een beperkt aantal van de toen ontwikkelde testen inzetbaar voor outbreak respons. Dit is grotendeels het gevolg van het moeilijke economische model. Bedrijven gespecialiseerd in diagnostica wegen een kleine afzetmarkt, beperkte volumes en de noodzakelijk lage kostprijzen (gezien de noodzaak vnl. in landen met lage en middellage inkomens) af tegenover de hoge kosten voor het ontwikkelen, produceren en het op de markt brengen van testen voor aandoeningen die weinig voorspelbaar voorkomen. Testen worden meestal met donorfinanciering van overheden, ngo’s en filantropie ter beschikking gesteld tijdens een epidemie, maar zijn weinig of niet beschikbaar daarbuiten voor surveillance. Een radicaal, nieuw economisch model is nodig om de beschikbaarheid van diagnostische testen voor deze aandoeningen meer pertinent te verzekeren.  

De voorbije jaren hebben onderzoekers van het Instituut voor Tropische Geneeskunde hard gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe diagnostische testen voor tropische koortsen, waaronder virale hemorragische koortsen zoals ebola, maar ook Marburg, Lassa, gele koorts, riftkoorts etc. Het principe is gebaseerd op een syndromische aanpak waarbij we simultaan testen voor een breed panel virale ziekteverwekkers en malaria. Vandaag gebruiken we deze expertise in de strijd tegen ebola in de Democratische Republiek Congo.

Ook voor de veelvoorkomende door muggen overgedragen virussen zoals dengue, zika en chikungunya, hebben we nieuwe testen in ontwikkeling, zowel voor genoomdetectie als voor serologie (d.i. detectie van antilichamen in reactie op een infectie door gebruik te maken van een viraal antigen). De virussen die zika, dengue en gele koorts veroorzaken behoren tot de flavivirussen, een grote familie virussen die genetisch en antigenisch nauw verwant zijn. De huidige antilichaam detectie testen voor flavivirussen zijn weinig specifiek en bemoeilijken dus een correcte diagnose, bij reizigers die terugkeren uit de tropen maar vooral ook in de endemische gebieden. Samen met onze partners in Peru, Cuba en Congo en met financiering van de Vlaamse en Federale Overheid en de Europese Commissie werken we aan alternatieven.