Het stimuleren van de ontwikkeling van veilige gehechtheid bij lagere schoolkinderen

Wat was het opzet van jullie onderzoek?

Als het over psychische problemen bij kinderen en jongeren gaat, wordt er vaak in de eerste plaats aan de puberteit gedacht. Dat is niet onterecht, want in die leeftijdsfase neemt het aantal jongeren dat met mentale moeilijkheden kampt fors toe en worden we geconfronteerd met heel zorgelijke dingen zoals suïcidaliteit, druggebruik, eetproblemen of zelfverwonding. Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat ook lagere school kinderen het moeilijk kunnen hebben. Ook zij kunnen bijvoorbeeld ingrijpende gebeurtenissen meemaken binnen of buiten het gezin, stress ervaren op school omdat het leren niet vanzelf gaat of verdriet hebben omdat ze moeilijk aansluiting vinden bij leeftijdgenootjes in de klas of tijdens hobby’s. Ons onderzoek richt zich specifiek op deze leeftijdsgroep. 

Mede dankzij Rode Neuzen Dag weet iedereen intussen: praten helpt! In ons project zijn we op zoek gegaan naar hoe we kinderen en hun ouders kunnen helpen om met elkaar te praten over de moeilijkheden of de zorgen waar een kind mee worstelt. Dat klinkt misschien eenvoudig maar dat is het zeker niet. Kinderen begrijpen vaak zelf niet goed wat er scheelt en hebben nog veel hulp nodig om uit te kunnen drukken waar ze last van hebben. Vaak tonen kinderen via gedrag dat het moeilijk gaat, maar om als ouder op basis daarvan goed te verstaan wat je kind nodig heeft om zich beter te voelen, is vaak echt een hele uitdaging.     

Voor je het weet stapelen de misverstanden zich op en verliezen ouders en kinderen geleidelijk aan het vertrouwen in elkaar. Dat is voor iedereen pijnlijk omdat escalerende misverstanden in essentie juist gevoed worden door ieders verlangen om te proberen de relatie met elkaar te versterken. Alleen kunnen mensen daarbij dan nog onmogelijk de goede intentie van de andere zien. Ze zien enkel het gedrag van de andere, dat vaak ongewild afwijzend voelt, waardoor breuken in de vertrouwensrelatie langzaam een onoverkomenlijke hindernis gaan vormen. Teleurstellingen in die vertrouwensrelatie zijn eerder regel dan uitzondering bij gezinnen, maar ze lossen meestal vanzelf op. We weten echter door ons therapeutisch werk bij adolescenten dat deze breuken stinkende wonden kunnen worden en dat relaties enorm verzuren als je breuken niet op tijd weer herstelt. Vanuit het idee “jong geleerd is oud gedaan”, besloten we te gaan werken met lagere schoolkinderen, om te voorkomen dat die breuken stinkende wonden worden. In ons project helpen we kinderen om (terug) het risico te nemen om beroep te doen op de zorg van ouders en wij helpen ouders om terug ruimte te geven aan het kind om hun zorgen te delen. Dit vergroot de weerbaarheid van het kind en helpt om allerhande moeilijkheden waarvoor ze hulp zoeken te verminderen. 

Hoe zijn jullie hierbij tewerk gegaan? Welke partners en/of scholen werden betrokken in dit onderzoek?

We hebben een interventie ontworpen, gebaseerd op een therapie die ontwikkeld is voor adolescenten, Attachment-based Family Therapy (ABFT; www.learn2trust.be). ABFT is gericht op adolescenten en voor de start van dit project hebben we eerst geprobeerd om ABFT te gebruiken bij lagere schoolkinderen. Dat werkte echter niet omdat lagere schoolkinderen nog niet op zo’n abstracte manier over zorgrelaties kunnen denken als adolescenten. Bovendien kunnen kinderen daar niet zo makkelijk over praten: het zijn meer doeners. Tenslotte ontdekten we dat kinderen toch ook de nabijheid van hun ouders nodig hebben om over zorgervaringen te praten met een therapeut. We hebben al die inzichten bij elkaar gegooid en een nieuwe therapie ontwikkeld, gestoeld op de inzichten van ABFT, maar veel meer gericht op het niveau van lagere schoolkinderen. Onze nieuwe therapie bestaat uit veel spel, veel fantasie, en plaatst de ouder nog veel meer centraal in de interventie.

We werken momenteel op drie plaatsen met deze therapie. Onze belangrijkste partner is VAGGA, een Centrum Geestelijke Gezondheidszorg in Antwerpen. Daarnaast gebruiken we deze therapie momenteel ook op het Multifunctioneel Centrum Ivo Cornelis (Emmaus Mechelen). Tenslotte lopen er enkele behandelingen op PraxisP, het therapeutisch centrum van de faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen aan de KU Leuven.

Wat zijn de voorlopige resultaten?

Gedurende ons eerste Rode Neuzen project hebben we kunnen observeren dat onze interventie helpt om het vertrouwen van kinderen in zorg door hun ouders te doen groeien. Ze snappen zorginteracties veel beter, hebben meer vertrouwen, en vertonen, zoals we verwachtten, minder gedrags- en emotionele problemen. Ook ouders zijn heel blij met de interventie, want ze voelen hun relatie met hun kind echt verbeteren.

Maar, hoewel de feedback van ouders en kinderen erg lovend was, merkten we ook dat wekelijks een sessie soms wat weinig oefenkans geeft aan gezinnen. Bovendien merkten we gaandeweg dat herstel van relaties vaak onder druk stond door wat op school gebeurde gedurende de week tussen sessies. Dit deed ons denken dat het voor onze therapie helpend zou zijn om ook de school en vooral de leerkracht te betrekken. We hebben daarop dan een leerkracht module van onze therapie ontwikkeld die we nu voor het eerst aan het gebruiken zijn.

Concreet helpen we nu kinderen om aan hun ouders te vertellen waar ze mee worstelen, inclusief de moeilijkheden die ze ervaren op school. Eens hun worstelingen op tafel liggen, laten we ouders en kinderen oefenen om op dezelfde manier deze worstelingen met leerkrachten te delen en te zoeken hoe op school het kind zich minder gespannen kan voelen. Dit helpt vaak de leerkracht die, vanuit zijn verlangen een goede leerkracht te zijn, meestal al veel geprobeerd heeft om het kind te helpen. Dit soort gesprekken helpen de leerkracht om het in de klas makkelijker te laten lopen met het kind.

Dit helpt ook de kinderen en gezinnen op twee manieren. Ten eerste, als het makkelijker loopt op school, dan is er vaak ook minder stress in huis, en lukt het ouders en kinderen vaak makkelijker om een goede relatie te ontwikkelen. Ten tweede vinden ze het vaak zelf spannend om met leerkrachten hun hulpnoden te delen en is het vaak heel corrigerend voor iedereen in het gezin om te voelen dat leerkrachten echt kunnen luisteren naar hun zorgen en noden. Het verbetert de relatie tussen leerkrachten, ouders en kind, waardoor het ook bij erg moeilijke leerlingen beter lukt op school.

Zijn er al scholen aan de slag gegaan met de bevindingen uit jullie onderzoek?

Onze therapie vertrekt vanuit de gezinnen die zich aanmelden voor therapie. Als gevolg daarvan, hebben we voor elke therapie al met een andere school samengewerkt. Het is niet zo dat we 1 school hebben die onze partner is. Dat neemt niet weg dat we tot nu toe al elke keer we een school gecontacteerd hebben om samen te gaan zitten met ouders en kinderen die bij ons in therapie zijn, we telkens scholen heel bereid gevonden hebben om mee te werken. We hebben ook iedere keer gezien dat leerkrachten heel graag aan de slag willen gaan met de inzichten uit onze therapie over de noden van de kinderen en dat bij opvolging leerkrachten ook altijd enthousiast zijn over de resultaten die ze ermee behalen. Dit sterkt ons om hier verder met scholen mee aan de slag te gaan. 

Dit jaar krijgen leerkrachten een glansrol binnen Rode Neuzen, want corona heeft duidelijk gemaakt hoe belangrijk zij voor leerlingen zijn. Welke rol zien jullie weggelegd voor de leerkracht binnen jullie onderzoek?

Het zal wel zijn dat leerkrachten belangrijk zijn voor leerlingen! Het mooie van dit project is dat, hoe moeilijk de relatie tussen leerkrachten en ouders of tussen leerkrachten en kinderen ook verloopt, we een therapie hebben gevonden waarin het voor iedereen weer duidelijk wordt hoe hard de leerkracht eigenlijk zijn best doet om voor het kind een goede leerkracht te zijn. Dat is ook heel fijn om te voelen voor de leerkracht, want die weet vaak niet meer hoe het komt dat het niet goed botert tussen hem/haar en het kind. Ze worden dan onzeker over zichzelf en soms machteloos, wat niet helpt. Dankzij onze interventie vinden ze handvatten om terug goed af te stemmen op het kind, waardoor ze het kind weer zien openbloeien en waardoor ze weer kunnen voelen welke belangrijke rol zij spelen in het leven van het kind.