Het imaginaire reisverhaal: een quarantidotum

Het afgelopen anderhalf jaar heeft onze immer mobiele wereld op allerlei manieren stilgelegen. Dat geldt zeker voor de reissector: in tijden van verplichte quarantaine en wispelturige kleurencodes zagen zij die normaal gezien verre oorden opzoeken, zich genoodzaakt thuis te blijven of in ieder geval in eigen land te vertoeven. Typische toeristische trekpleisters werden getransformeerd tot verlaten plekken, internationale zakenreizen kregen virtuele Zoom- en Skype-pendanten, en zelfs solitaire backpackavonturen dienden voor onbepaalde tijd te worden uitgesteld.

Nu er stilletjes aan licht aan het einde van de coronatunnel komt, zullen velen ongetwijfeld verheugd zijn het reisgevoel weer te kunnen herwinnen. Voor een welbepaald deel van de bevolking, waartoe ik ook mezelf reken, is dat gevoel de afgelopen maanden echter nooit helemaal verdwenen: de fervente lezers van reisverhalen. In boekhandels en bibliotheken kunnen talloze oude en meer recente verhalen gevonden worden die de lezer meenemen op een of andere bijzondere reis. Soms gaat het om boeken waarin een auteur verhaalt over een tocht die hij of zij zelf ondernomen heeft – dat zijn de boeken die je vaak in de ‘(literaire) non-fictie’-sectie terugvindt. Maar ook in fictie, in ‘verzonnen’ romans en verhalen, is de reis een bijzonder populair procedé. Een van de oerverhalen uit de westerse literaire traditie is zo’n ‘imaginair reisverhaal’: Homeros’ Odyssee (8ste eeuw v.Chr.), over de wonderlijke zwerftocht over zee van de Griekse koning Odysseus, van Troje naar zijn thuis te Ithaka. Ook de dooltocht van de pseudoridder Don Quijote is beroemd te noemen (1605), en wie kent er Jules Vernes verhalen niet, waarin afdalen tot 20 000 mijlen onder de zeespiegel of de wereld rondtoeren in 80 dagen geen probleem blijkt te zijn (resp. 1870 en 1873)? Omdat vele reisverhalen vaak een rijke, intrigerende verhaalwereld oproepen, zijn ze trouwens uitermate geschikt om verfilmd te worden. Denk in dat opzicht niet alleen aan het fantasierijke The Lord of the Rings (J.J. Tolkien, 1954-1955), maar bijvoorbeeld ook aan het meer ‘realistische’ The Beach (1996), Alex Garlands roman over Amerikaanse backpackers in Thailand.

In mijn FWO-onderzoeksproject leg ik me toe op imaginaire reisverhalen uit een specifieke literatuurhistorische periode: de naoorlogse en hedendaagse Nederlandstalige literatuur. Ik vertrek daarbij van een uitgebreid en divers romancorpus, met werk van auteurs als Hella Haasse (De ingewijden, 1957), Willem Frederik Hermans (Nooit meer slapen, 1966), Hugo Raes (o.a. Reizigers in de anti-tijd, 1968), Willem Brakman (o.a. Een vreemde stam heeft mij geroofd, 1992), Connie Palmen (I.M., 1998), Kader Abdolah (o.a. Salam Europa!, 2016) en Ilja Leonard Pfeijffer (o.a. Grand Hotel Europa, 2018). Ik bestudeer die romans als vertegenwoordigers van eenzelfde dynamisch literair ‘genre’. Ondanks (of net door) de reikwijdte van de imaginaire reis is dat voor de Nederlandstalige literatuur opvallend genoeg nooit eerder gebeurd, en ook in het internationale onderzoeksveld kan een dergelijke blik eerder uitzonderlijk genoemd worden.

Dat idee van een genrestudie impliceert grofweg twee dingen. Enerzijds moet het voldoende duidelijk zijn welke groep teksten onder de vlag van het genre zou kunnen worden geplaatst. Voor het imaginaire reisverhaal is die vraag allesbehalve onproblematisch. Neem bijvoorbeeld het onderscheid tussen feit en fictie: dat durft bij imaginaire/non-fictionele reisliteratuur wel eens te vervagen. Met het oog op lezerssucces stofferen heel wat auteurs van non-fictieboeken hun reisverslagen wel vaker met ‘leugens’, terwijl sommige reisromans – zoals Nooit meer slapen of het internationaal bekende On the Road (Jack Kerouac 1957) – (grotendeels) gebaseerd zijn op werkelijke reizen die de auteur ondernomen heeft. Meer in het algemeen onderhoudt het imaginaire reisverhaal een intrigerende band met de extraliteraire context. Ontwikkelingen als toerisme, migratie en uitvindingen van nieuwe reismethodes hebben zeker een impact gehad op de evolutie van reisfictie, maar het genre staat, dankzij de kracht van de verbeelding, tegelijkertijd ook los van maatschappelijke ontwikkelingen. Het eerste maanreisverhaal uit de literatuurgeschiedenis treffen we bijvoorbeeld niet pas rond 1969 aan, maar al in de 2de eeuw na Christus (Lucianus’ Ware Verhalen), en de extraliteraire reisbeperkingen in coronatijden hypothekeren het voortbestaan van imaginaire reisliteratuur niet.

Anderzijds impliceert mijn genrestudie dat ik in mijn corpus op zoek ga naar thema’s, motieven en tekstuele dynamieken die (heel wat) imaginaire reisverhalen met elkaar delen. Ik bundel ze in een interpretatief ‘leesmodel’: dat is een soort kader waarmee niet alleen het imaginaire reisverhaal in de naoorlogse, Nederlandse literatuur beschreven wordt, maar dat ook andere lezers kunnen gebruiken om het genre (al dan niet in andere talen en periodes) diepgaander te bestuderen. In naoorlogse, Nederlandstalige reisromans wordt de reis door de ruimte bijvoorbeeld vaak ook een figuurlijke reis door de tijd: personages keren terug naar gebieden waar ze eerder al eens geweest zijn (plekken uit hun jeugd, bijvoorbeeld) of ze treden op hun reis (in)direct in de voetsporen van andere reizigers. Het hoofdpersonage is ook steeds een buitenstaander – op epistemisch vlak (omdat hij/zij een gebrekkige kennis van de bereisde wereld heeft) of op sociaal vlak (een eenzaat binnen voortdurend wijzigende sociale constellaties). En wanneer teksten zich niet tot één reis beperken maar verschillende tochten opeenstapelen, dan is dat vaak een indicatie van de instabiele onrust die de reiziger kenmerkt – een motief dat je zowel in autonome, experimentele teksten als in sociaalkritische migratieromans kan terugvinden.

Mijn onderzoek exploreert dus een alomtegenwoordig maar onderbestudeerd genre, dat wortels heeft in àlle culturen en tijdvakken. De studie vertelt iets over hoe het reizen functioneert binnen én buiten de literatuur, en, meer in het algemeen, over de dynamiek van teksten, verhalen, hun lezers en hun contexten. Een ding is daarbij in ieder geval duidelijk: wie in (post-)coronatijden op reis wil gaan, hoeft daarvoor het vliegtuig niet te nemen. Een imaginair reisverhaal brengt je al heel ver.