Hiv maakt Ethiopiërs extra kwetsbaar voor leishmaniasis

Bron: Wim Adriaensen

Elk jaar sterven tienduizenden mensen aan viscerale leishmaniasis, een parasitaire ziekte die vooral in (sub)tropische gebieden voorkomt – maar die de laatste jaren ook steeds meer de kop opsteekt in Zuid-Europa. Doordat hun afweersysteem is aangetast zijn hiv-patiënten extra kwetsbaar. Wim Adriaensen bestudeert hoe deze ‘co-infectie’ verloopt en het immuunsysteem gijzelt, in de hoop deze vaak vergeten groep van patiënten straks beter te kunnen begeleiden en behandelen.

In het beginstadium heeft viscerale leishmaniasis (of leishmaniose) heel wat gemeen met malaria, een andere en veel bekendere tropische ziekte. Ook slachtoffers van leishmaniasis krijgen bijvoorbeeld te maken met hevige koortsaanvallen. Bovendien kan ook deze ziekte fataal aflopen. Een typisch kenmerk voor leishmaniasis – en een verschil met malaria – is dan weer het opzwellen van de milt.

Terwijl de malariaparasiet wordt overgedragen via muggen die veelal in vochtige gebieden voorkomen, wordt leishmaniasis verspreid door micro-organismen (de zogenoemde Leishmania-parasiet) die meereizen met zandvliegen. In een zwaar getroffen land als Ethiopië komen de parasieten vooral in de drogere laaglanden voor waar uitgestrekte landbouwgebieden liggen.

Tijdens het oogstseizoen komen traditioneel veel boeren van de Ethiopische hooglanden afgezakt naar deze ‘lowlands’ om er te werken. Omdat ze over weinig immuniteit tegen de Leishmania-parasiet beschikken, vaak ondervoed zijn en in slechte omstandigheden worden gehuisvest – ze slapen bijvoorbeeld vaak buiten, op de blote grond – lopen velen onder hen een infectie op. Daarbij komt dat het in grote mate om mannen gaat, van wie een aanzienlijk deel ook besmet is met hiv, het virus dat aids veroorzaakt.

Het bijzondere aan zo’n ‘co-infectie’ met leishmaniasis en hiv is dat zowel parasiet als virus dezelfde cellen infecteren, namelijk de witte bloedcellen die centraal staan in de immuunafweer. In Ethiopië zou 20 procent van de viscerale-leishmaniasis-patiënten ook drager zijn van het hiv-virus. En omdat de parasiet niet altijd volledig kan worden geëlimineerd met bestaande therapieën, kunnen patiënten na een behandeling snel hervallen – daar hun immuunsysteem het restant niet kan controleren. Bijgevolg zijn bij co-geïnfecteerden de opstoten van leishmaniasis heviger en treden ze frequenter op, waarbij sommige patiënten hervallen ondergaan elke 3 maanden.

Als postdoc-onderzoeker bestudeert Wim Adriaensen aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen deze co-infectie met leishmaniasis en hiv. ‘We bekijken zowel het ziekteverloop bij patiënten als de elkaar versterkende impact van beide infecties op het immuunsysteem’, zegt Adriaensen. ‘Op basis van het laatste zoeken we naar biomarkers om het ziekteverloop te kunnen voorspellen, alsook naar manieren om de immuniteit te stimuleren. We zien immers dat deze sterk en lang onderdrukt blijft, zelfs als de Leishmania-parasiet uit het lichaam is verdreven en de patiënt zorgvuldig aidsremmers neemt.’

In het kader van een grote cohortstudie volgt Adriaensen momenteel een zeshonderdtal hiv-patiënten in de Ethiopische laaglanden nauwgezet op om het opduiken en de progressie van viscerale leishmaniasis en alle bijhorende hervallen te monitoren. Dit doet hij vanuit een lokaal gezondheidscentrum aan de grens met Soedan, in nauwe samenwerking met Artsen Zonder Grenzen. ‘Zo kunnen we bijvoorbeeld de vroegste stadia van de ziekte in kaart brengen, en leren waarom sommige mensen die seropositief zijn de ziekte niet ontwikkelen, en anderen wel.’