Bij symptoomprovocatie worden verschillende soorten prikkels gebruikt, elk met eigen voor- en nadelen. Volgens de onderzoekers is er geen ‘beste’ methode en hangt de keuze af van het onderzoeksdoel en de patiëntengroep. Hun veiligheid en welzijn is immers prioriteit.
- Verbeelding (imaginal): deelnemers stellen zich een angstwekkende situatie voor. Dit voelt voor patiënten vaak veiliger en kan makkelijk op elk individu afgestemd worden maar is een minder geschikte methode om bepaalde gedragingen te meten.
- Beelden (imagery): foto’s of video’s lokken reacties uit. Deze methode is goed te standaardiseren, maar minder representatief voor de werkelijke situaties.
- Reële blootstelling (in vivo): deelnemers worden geconfronteerd met echte situaties. Dit sluit het best aan bij de realiteit, maar is complexer en kan voor de deelnemers zeer intens zijn.
Dankzij de verschillende methoden, kunnen onderzoekers emoties, gedrag en lichamelijke reacties meten, bijvoorbeeld via hersenscans of hartslagmetingen. Door de parameters objectief te bepalen, kunnen wetenschappelijke studies grondiger gevoerd worden dan louter op basis van patiëntengetuigenissen achteraf.